Eind maart 2008 gebeurde er in Nederland iets bijzonders. Het effect van Wilders’ anti-islamfilmpje Fitna was heel anders dan iedereen, inclusief de regering en Wilders zelf, had voorzien. In plaats van heftige reacties in de vorm van rellen, bedreigingen of erger, was de houding van de Nederlandse moslims bedaard, laconiek, zelfs enigszins verveeld. De radicale Haagse imam Fawaz Jneid, die zijn Profeet tijdens de Deense cartoonaffaire nog op hysterische toon had verdedigd, prees nu de ‘dapperheid’ van premier Balkenende en bedankte zijn islamitische broeders voor de beschaafde wijze waarop zij op Fitna hadden gereageerd. Volgens Fouad Sidali, de woordvoerder van het Samenwerkingsverband Marokkanen in Nederland, had de islamkritiek, inclusief die van Wilders, een positieve bijwerking gehad. Zij ging vaak over de schreef en had mensen onnodig op hun ziel getrapt, maar dat was nodig geweest om de discussie aan te zwengelen. Opvallend genoeg complimenteerde ook Wilders zelf de Nederlandse moslims vanwege hun rustige en waardige reactie!
Het lijkt warempel alsof we in een nieuwe fase van het islamdebat en het integratieproces zijn beland. Want niet veel later brak er een heftige polemiek uit tussen Fawaz Jneid en de Amsterdamse stadsdeelvoorzitter Ahmed Marcouch. De eerste beschuldigde de tweede van onwetendheid en hypocrisie, omdat hij als pragmatische bestuurder compromissen sloot met wat volgens de imam gold als de onaantastbare letter van de Koran. Minder belangrijk dan de theologische inhoud van dit harde treffen was de reactie van (opnieuw) Fouad Sidali van het SMN. De beschuldiging van hypocrisie was volgens hem gevaarlijk, omdat zij kon worden opgevat als een fatwa en kon uitmonden in bedreigingen. ‘We vinden het welletjes, de manier waarop dit soort mensen menen te kunnen spreken namens de islam’, stelde het SMN in een open brief: ‘We willen niet meer leven onder het juk van de moslimbroederschap’ (NRC Handelsblad 26.4.08). ‘Het idee dat moslims broeders zijn, zit diep, het gevoel een islamitische eenheid te vormen, is bijna dictatoriaal… We moeten laten zien dat moslims volstrekt andere opvattingen kunnen hebben en toch allen goede moslims kunnen zijn’ (de Volkskrant 17.5.08).
Het is voor het eerst dat rekkelijke moslims zo duidelijk afstand nemen van een van de belangrijkste dogma’s van hun geloof: de absolute eenheid van God en van de boodschap van de Koran en de Profeet (tawhied). De islam predikt immers een nog strengere eenheidsleer dan het christendom met zijn Heilige Drie-eenheid; verdergaande vormen van ‘veelgoderij’ (sjirk) vormen de ergste zonde na ketterij, en zijn volgens radicale opvattingen evenals deze strafbaar met de dood. Juist daarom staat de orthodoxe islam zo haaks op westerse pluralistische en democratische waarden. Het religieuze eenheids- en gemeenschapsdenken verdraagt zich slecht met de kern van het democratische ethos, waarin scheiding, verschil, onenigheid en verdeeldheid juist positief worden gewaardeerd. De liberale democratie is het stelsel dat de afwezigheid van gedeelde normen en waarden zo goed mogelijk probeert te organiseren. De Nederlandse moslims, kun je zeggen, zijn na Fitna eindelijk prettig verdeeld geraakt.
‘Broederschap’ is de geliefde uitdrukking voor dit eenheids- en gemeenschapsdenken. Jneid begon zijn opponent aan te spreken als ‘Broeder Marcouch’, maar liet die titel na de eerste gedachtenwisseling wijselijk vallen. Vergeleken met de vrijheid en de gelijkheid, de beide andere leuzen in het beroemde devies van de Franse Revolutie, is de broederschap dan ook een veel problematischer begrip. Ook in zijn moderne varianten, als ‘gemeenschap’, ‘saamhorigheid’, ‘lotsverbondenheid’ en ‘solidariteit’ toont dit ideaal al snel een donkere keerzijde van paternalisme en groepsdwang. Liberalen signaleren vaak een spanning met het individualistische vrijheidsideaal, en hebben een begrip als broederschap dan ook altijd met gepast wantrouwen bejegend. Christendemocraten, socialisten en (neo)conservatieven beschouwen broederschap, solidariteit en gemeenschap daarentegen als voorrangsidealen die noodzakelijke grenzen stellen aan de ongebreidelde drang naar vrijheid, zelfontplooiing en persoonlijke autonomie.
Broederschap kan een relatief onschuldig ideaal zijn, zoals in de vroeg-christelijke gemeenschappen of de Middeleeuwse kloosterordes en de stedelijke gilden. Het kan universalistische en kosmopolitische trekken aannemen, zodra het wordt uitgebreid naar alle leden van de menselijke familie (‘Alle Menschen werden Brüder’). Maar het kan zich ook naar binnen keren en scherpe grenzen trekken tegenover echte of vermeende vijanden. In een revolutionaire of oorlogssituatie kan die afsluiting leiden tot een afgedwongen groepssolidariteit waarin lauwheid of kritiek gelijkstaan aan verraad: wie niet met ons is, is tegen ons. Voor Jacobijnen zoals Robespierre vormden broederschap en terreur twee zijden van dezelfde revolutionaire medaille. De in 1865 in de VS opgerichte broederschap van de Ku Klux Klan inspireerde het moderne racistische geweld. De Afrikaner Broederbond (1918-1994) was lange tijd de voedingsbodem van de Apartheid en het witte nationalisme. De in 1928 in Egypte opgerichte Moslim-Broederschap staat nog steeds model voor alle moderne vormen van islamitisch terrorisme.
Dit zijn natuurlijk extreme voorbeelden. Maar ook in zijn gematigde vorm kleven er risico’s aan het ‘broederlijke’ eenheidsdenken. De naastenliefde kan verstikkend werken en kan leiden tot een dwingende saamhorigheid die anderen uitsluit en stigmatiseert. Denk aan de gereformeerde ‘mannenbroeders’ die baden voor ‘Broeder Rouvoet’ toen de ChristenUnie volgens hen teveel concessies deed aan de homo-emancipatie. ‘Zusters’ noch nichten kunnen in die seksistische broedergemeenschap blijkbaar volledig worden geaccepteerd.
Broederschap is kortom een beladen begrip. Het goede leven bestaat niet alleen uit harmonie, gemeenschap en saamhorigheid maar ook uit rivaliteit, concurrentie en strijd, met inbegrip van de strijd tussen verschillende concepties van het goede leven. ‘All You Need is Love’ is geen realistische politieke optie. De broederschapsgedachte plant de ethiek van privébetrekkingen ten onrechte over naar het openbare domein, waar eerder een ‘koele’ dan een ‘warme’ logica geldt. De democratische politiek gaat over het organiseren van deze koele betrekkingen. Politieke begrippen moeten daarom koel zijn, en geen kleffe gezins-, familie- en verwantschapsidealen uitdragen. De maatschappelijke solidariteit wordt niet gemotiveerd door naastenliefde, liefdadigheid, broederschap of gemeenschapszin, maar door fatsoen, beschaving en welbegrepen eigenbelang. De democratie is het systeem waar we elkaar gelukkig niet als broeders hoeven te hoeden.
Over warm en koud
“De maatschappelijke solidariteit wordt niet gemotiveerd door naastenliefde, liefdadigheid, broederschap of gemeenschapszin, maar door fatsoen, beschaving en welbegrepen eigenbelang”.
Ik neem aan dat dit een normatieve uitspraak is, de bewering: dit is de beste manier is om er tegenaan te kijken.
Naar aanleiding van het paar warm/koud, vertrekkend vanuit hun gangbare connotatie:
(1) Is het de facto niet zo dat mensen koel zijn vanuit een warme motivatie (bijvoorbeeld van wat voor hen fatsoen, beschaving uitmaakt)?
Terzijde: interessant is waar men men ‘eigenbelang’ – de derde in je trits – plaatst, aan de ‘warme’ of ‘koude’ zijde.
(2) In jouw geval bijvoorbeeld de warme motivatie dat deze koele opvattingen individuen de maximale ruimte hun leven naar eigen wens in te richten?
Anders gezegd: is ‘vrijzinnigheid’- om die term te gebruiken voor ‘socialisme terwille van individualisme’etc – geen warme motivatie?
(3) Verleg je de koud/warm-vraag niet naar wat ‘fatsoen’ en ‘beschaving’ inhouden? Ik denk daarbij aan wat Charles Taylor ‘sterke evaluaties’ noemt.
Jouw koele waarden zijn, wanneer door een individu gekozen als persoonlijke, gedeelde overtuigng, ‘sterke evaluaties’. Het element van weloverwogenheid geeft ‘sterke evaluaties’ de schijn van ‘koelte’, zoals intellect en afstand doorgaans met ‘koel’ worden geassocieerd. Maar er kan veel passie achter beheersing schuilgaan
(4) Ik kan me voorstellen dat een individualist, vanuit een ‘Ecce homo’-achtige begaanheid met de menselijke situatie, zich betrokken voelt met andere eenlingen en hun gestumper. Ook dat zou ik zien als een warme vorm van solidariteit, die de door jou geschetste ‘koele’ politieke waarden kan dragen. En niet omgekeerd.
(5) In maart was Pieter Pekelharing en velen met hem enthousiast over de de rede van Obama, de manier waarop hij bruggen probeerde te slaan tussen groepen die elkaar neigen te verketteren, hoe hij de cultural wars probeerde te overstijgen. (Obama’s wij, http://waterlog.wordpress.com/2008/03/21/obama%e2%80%99s-%e2%80%98wij%e2%80%99/ ). Ook toen vroeg ik me al af, als gedachtenexperiment, hoe je het niet-harteloze individualisme van Waterland op een overbruggende manier zou kunnen verkopen. Wat zou de voorman van de Vrijzinnig-Democratische Bond in zijn/haar accceptatiespeech voor inspirerende speech afsteken. Dit temeer omdat Obama in zijn speech teruggreep op categorieën waar een VDB-er het zonder moet stellen.
Verbindt individualisten slechts rechtstatelijkheid en de voorkeur voor of gehechtheid aan een bepaalde manier van verschillen organiseren? Of toch ook zoiets als een geloof in de nastrevenswaardigheid van een ‘authentieke’ levenswandel? Ik zou kiezen voor het laatste en ook denken dat van het laatste in die speech de grootste inspirerende werking zou uitgaan.
Heel existentialistisch.
Beste Dick,
Ik heb je stuk met interesse gelezen. Met een paar passages had ik echter wat moeite.
Je schrijft terecht dat broederschap een beladen begrip is, en impliceert daarom (!) dat ‘All You Need is Love’ geen realistische politieke optie is. Je hoeft het begrip broederschap echter niet per se te verwerpen. Je zou ook kunnen opkomen voor bijvoorbeeld een universalistisch begrip van broederschap, net zoals dat je elders pleit voor het begrip lichte gemeenschappen als alternatief voor zware gemeenschappen. Toch doe je dit niet, en geef je evenmin aan waarom je dit niet doet. De reden daarvoor schuilt waarschijnlijk in het feit dat je je verzet tegen “kleffe” gezins-, familie- en verwantschapsidealen. Op het moment dat je het woord klef gebruikt, lijk je je allang niet meer te verzetten tegen de keerzijde van het broederschapsideaal. Je verzet je tegen het ideaal an sich, in welke vorm dan ook. Verderop schrijf je dan ook: “De democratie is het systeem waar we elkaar gelukkig niet als broeders hoeven te hoeden.” Een onverwacht voorbeeld van alles-of-niets denken, dat een vrij persoonlijke weerzin suggereert tegen gemeenschapsdenken, ongeacht of dit nu over lichte of zware gemeenschappen gaat.
En dan maak je het ‘koele’ alternatief ook nog eens tot essentie van de democratie. Je schrijft dat maatschappelijke solidariteit niet wordt gemotiveerd door “naastenliefde, liefdadigheid, broederschap of gemeenschapszin”. Dat klinkt alsof je deze motieven niet alleen principieel afkeurt, maar dat je het bestaan ervan als politieke kracht ook nog eens ontkent. Het is in elk geval een empirische claim die ik durf te betwijfelen. Natuurlijk, sociale wetenschappers gaan er (net als Kant dat deed) vaak van uit dat altruisme in essentie egoistisch is, omdat gevers materiele en sociale voordelen van het geven ervaren. Toch is er sinds kort neurologisch bewijs voor het bestaan van ‘puur altruisme’ (1). Mensen zeggen wel eens dat ze het niet erg vinden om belasting te betalen. Vorig jaar verscheen er in Science een studie die met hersenscans aantoonde dat dit bij sommige mensen inderdaad het geval is. Anonieme proefpersonen kregen 100 dollar. Een deel daarvan moesten ze verplicht afgeven aan een voedselbank, en wanneer ze dit deden werd een hersendeel actief dat ons mentaal beloont. Wanneer de proefpersonen, nog steeds anoniem, dus zonder materiele of sociale beloning, vrijwillig extra geld gaven, lichtte dat hersendeel nog sterker op.
De mogelijkheid van puur altruisme is toch iets om optimistisch over te zijn. Het zou in elk geval erg cynisch zijn om te stellen dat iedereen die zegt dat ze wel degelijk door liefdadigheid gemotiveerd wordt, af te doen als hypocriet en leugenaar (ik zeg niet dat je dit doet, maar kan het mij wel voorstellen). Of je het nu eens bent met Barack Obama of niet, hij weet met zijn bijna “messianische” aantrekkingskracht mensen wel degelijk in beweging te zetten. It’s all in the game.
Ik ben het ermee eens dat broederschap een beladen term is met een donkere keerzijde. Maar reduceer je de betekenis van het woord niet tot die ene, alles uitsluitende betekenis van bloedverwantschap? Wanneer doopsgezinde christenen elkaar bijvoorbeeld broeders en zusters noemen, dan doen zij dit om de verbondenheid met elkaar aan te geven, zonder daarmee de eveneens sterke verbondenheid met andersgezinden op te geven of te ontkennen. En gooi je naastenliefde, liefdadigheid, en gemeenschap (!) niet te makkelijk op een hoop met dat nauw gedefinieerde broederschap? Het is uitgerekend naastenliefde waardoor doopsgezinden gemotiveerd worden minstens even betrokken te zijn met de wereld buiten hun (toch al losse) gemeenschap. Volgens mij laat je met dit artikel zien dat jouw weerzin tegen gemeenschappen dieper gaat dan je doorgaans verwoordt. Je zegt dat maatschappelijke solidariteit niet wordt gemotiveerd door (o.a.) gemeenschapszin, en maakt daarbij geen onderscheid meer tussen lichte en zware gemeenschappen. Een Freudiaanse verspreking?
1. William T. Harbaugh, Ulrich Mayr, and Daniel R. Burghart, “Neural Responses to Taxation and Voluntary Giving Reveal Motives for Charitable Donations,” Science 316, no. 5831 (June 15, 2007): 1622-1625, doi:10.1126/science.1140738.
Aanvullend
“De broederschapsgedachte plant de ethiek van privébetrekkingen ten onrechte over naar het openbare domein, waar eerder een ‘koele’ dan een ‘warme’ logica geldt. De democratische politiek gaat over het organiseren van deze koele betrekkingen. Politieke begrippen moeten daarom koel zijn, en geen kleffe gezins-, familie- en verwantschapsidealen uitdragen”
Mijns inziens onderscheid je slecht tussen ‘de democratische politieke ruimte’ en de motivaties van mensen. Of minstens wekt “gemotiveerd”in “De maatschappelijke solidariteit wordt niet gemotiveerd door naastenliefde…” etc. snel verwarring.
Vergelijk mensenrechten (d.w.z. de UVRM). Dat zijn normen, ooit geldig verklaard en verkondigd met een vaag beroep op “menselijke waardigheid”. Het streven bij de opstelling was dat een veelheid aan religieuze en seculiere overtuigingen op particuliere/eigen gronden ermee zou instemmen.
Misschien kun je zelfs stellen dat de term “het goede leven”, zoals hier door je gebruikt, dit minder scherp scheiden van het persoonlijke niveau en dat van de politieke ruimte herhaalt. Wiens goede leven?
Als waar, dan bevestigt het de moeite een invulling te geven aan een vrijzinnige ‘postieve vrijheid’-conceptie, precies vanuit de vrees die je deze column deed schrijven, het anderen voorschrijven wat goed ze is. Daar heeft links ook slechte herinneringen aan.
De zelfkant van ‘zelfontplooiing’, asociaal individualisme, willen corrigeren door conservatisme klinkt als een syncretisme. En een neorepublikeins burgerschapsbegrip is misschien een levensvatbaarder oplossing.
Waartoe eigenlijk individualiteit (vrijzinigheid, onderscheidingsdrang) gepromoot?
Mijn uit de hand gelopen cursivering (+ in een moeite door de spellingsfouten) mogen gecorrigeerd…liever zelfs.
” de kern van het democratische ethos, waarin scheiding, verschil, onenigheid en verdeeldheid juist positief worden gewaardeerd.”
Is dat zo? Ik zou eerder stellen dat het neutraal wordt gewaardeerd. Onoverkomelijke verdeeldheid kan ook in een democratie nogal problematisch zijn.
Waar het mijns inziens eerder om gaat is dat verdeeldheid wordt gezien als iets dat erbij hoort, en geen afbreuk doet aan het bestaan van een toch overstijgende verbondenheid tussen de verdeelde personen: de maatschappij waar je beide deel van uitmaakt, of misschien de universele broederschap van de mens? Hoe je het noemen wilt… een basaal ‘respect voor elkaar’ zegt de jeugd van tegenwoordig…
In die zin is het misschien juist wel alarmerend dat Fawaz Jneid, Ahmed Marcouch bij het eerste beste publieke meningsverschil geen ‘broeder’ meer wil noemen. Dat is mijns inziens eerder een teken dat verdeeldheid juist niet wordt geaccepteerd binnen de gemeenschap. Juist wanneer broeders met elkaar publieke discussies kunnen voeren zonder elkaar daarom uit de familie te willen bannen, is er sprake van democratische vooruitgang.
Dat staat los van of je broederschap een kleffe connotatie vindt hebben, en dat er veel ‘broederschappen’ juist haatdragend en barbaars zijn.
“Welbegrepen eigenbelang” snap ik, dat is de ideologie van het ec. liberalisme. Deze ideologie claimt dat de “maatschappelijke solidariteit” hierdoor optimaal wordt georganiseerd . Om hieraan slechts fatsoen en beschaving toe te voegen lijkt mij een doodlopende weg; dit zijn toch geen onderscheidende criteria voor een politieke beweging?
Ik denk dat naastenliefde, liefdadigheid, broederschap of gemeenschapszin door de overheid helemaal niet op prijs wordt gesteld tegenwoordig omdat maatschappelijke solidariteit dan in strijd is met het liberale ideaal. het is de wereld van the chosen few die iedereen eronder houden zonder dat tot diegenen door te laten dringen. Maar helaas is broederschap geen kwestie van management.
@rafie: “liberale ideaal”? En dan heb je het over de huidige regering? Weet je dat zeker? Voor zover ik kan zien is dit de meest anti-liberale “samen bidden, samen werken” regering die we in decennia hebben gehad.
@martinned
…voor de middenklasse wel ja, wil je het beleid nog asocialer maken voor kansloze mensen dan? en ik heb het niet alleen over de huidige regering trouwens maar over de hele mentaliteit als je bij de overheid aanklopt. Als je naar het gemeentehuis gaat dan hebben ze je al afgeschreven voor je goed en wel binnen bent. In nederland is het zo dat als je eerlijk bent dan wordt je erop afgerekent en als je niet eerlijk bent dan heb je respect.