Wat de motieven van mensen zijn om kinderen van andere ouders te verzorgen, is hun privézaak. Maar de staat moet opkomen voor de belangen van diegenen dit dat zelf niet kunnen: kinderen. Gek genoeg doet de staat dat niet consequent: er bestaat een raar verschil in criteria voor mensen die willen adopteren en mensen die permanent pleegkinderen in huis willen halen.
In beide gevallen is er een onderzoek de motieven van de aanstaande pleeg- en adoptieouders. Maar de accenten in die onderzoeken verschillen. Is adoptie bedoeld om ouders te helpen die ongewenst kinderloos zijn, bij pleegkinderen wordt in de eerste plaats naar het belang van het kind gekeken. Gevolg? Een run op adoptiekinderen uit het buitenland, terwijl ‘onze eigen’ kinderen die een plekje in een gezin zoeken, lang moeten wachten.
In de onderzoeksprocedure voor pleegkinderen wordt benadrukt dat kinderen niet van de pleegouders zijn. In het belang van het kind wordt de band met de natuurlijke ouders zo goed en zo kwaad als dat gaat, onderhouden. Kinderen kennen dus hun afkomst, wat goed is, maar blijven tegelijkertijd bezoekers in hun nieuwe gezin. Hoewel na een jaar een kind dat permanent is geplaatst vrijwel nooit teruggaat naar de ouders, moeten de pleegouders altijd met uithuisplaatsing rekening houden. De natuurlijke ouder wordt geraadpleegd bij medische behandelingen zoals een bezoek aan de tandarts. Overlijdt een van de pleegouders, dan behandelt het erfrecht het kind als een vreemde.
Het liefst worden pleegkinderen geplaatst in gezinnen waar al kinderen zijn. Wie zelf geen kinderen kan krijgen wordt uitgebreid bevraagd. Zijn de ouders niet adoptief ingesteld? Staat hun eigen verlangen naar een gezinnetje niet voorop? Zijn de pleegouders bereid contact te ondersteunen van het kind met de natuurlijke ouders?
Adoptie uit het buitenland wordt juist gezien als vervanging van natuurlijke kinderen. Dit blijkt er bijvoorbeeld uit dat zwangeren niet aan de adoptie-voorlichtingscursus niet mee mogen doen–te pijnlijk voor de andere wensouders. De ouders mogen niet bezig zijn met vruchtbaarheidsbehandelingen want ze moeten het adoptiekind echt als hun eigen kind gaan zien. Om ouders meer kans te geven een kind te adopteren worden binnenkort de leeftijdsgrens voor adoptie opgerekt van 44 jaar leeftijdsverschil. Wie een kind adopteert, stuurt ‘aankomst’ kaartjes rond, geeft het een nieuwe naam. Het kind gaat mama en papa zeggen en oma en opa, oom en tante tegen de naaste familieleden van de adoptieouders. De banden met de eigen achtergrond, zo belangrijk voor Nederlandse pleegkinderen, worden verbroken –al komt daar de laatste jaren wel verandering in. Maar als de ouders geen contact willen hebben met de achtergrond van het kind, dan mag dat.
Kortom, bij adoptie staat het belang van de ouder voorop, terwijl voor ‘onze eigen’ kinderen het belang van het kind het zwaarst weegt. Dit onderscheid wordt pijnlijk duidelijk op wat ik maar even oneerbiedig de ‘markt voor kinderen’ noem. Wie een kind wil adopteren uit het buitenland is daarvoor algauw tussen de vijftien en twintigduizend euro kwijt – wat grif wordt betaald- en moet ongeveer vijf jaar wachten. Geld voor de advocaten, geld voor de vlucht om het kind te halen en geld voor het kindertehuis. Bij bonafide kindertehuizen wordt dat geld goed besteed, maar in verre landen is de controle natuurlijk nooit optimaal, hetgeen blijkt uit de schandalen in China en Tsjaad van de laatste tijd. Er is bovendien concurrentie vanuit de VS, waar voor een kind algauw veertigduizend euro per kind wordt betaald.
Dit staat in schril contrast tot de belangstelling voor pleegkinderen. In Nederland staan de kinderen op de wachtlijst voor een plekje in een gezin. Pleegzorgorganisaties sturen brieven rond aan potentiële ouders met wervende teksten. In afwachting van een plek in een gezin zitten kinderen in tehuizen. Het is moeilijk om ouders te vinden, ook al krijgt de pleegouder een toelage van 500 euro per maand. Pleegouders zijn bang dat het kind weer wordt afgepakt, dat een kind een moeilijke achtergrond heeft of dat de ouders zich met het kind zullen blijven bemoeien. Dat ook adoptiekinderen van een jaar of vijf met een moeilijke achtergrond kunnen kampen, wordt vaak vergeten.
De staat kan waarschijnlijk weinig veranderen aan de voorkeuren van kinderloze mensen voor adoptiekinderen. Maar de staat moet af van de visie op adoptie als alternatief voor natuurlijke kinderen. Een kind – ook een natuurlijk kind- is in de eerste plaats van zichzelf.
Kinderloosheid, hoe verdrietig ook, is geen probleem dat de staat moet oplossen. Mensen met een kinderwens zijn volwassen en uitstekend in staat voor hun eigen belang op te komen. Bij adoptie van kinderen moet het belang van het kind en de vraag of ouders de band met de achtergrond van het kind willen behouden, meer centraal staan.
Daarnaast kan de rechtspositie van pleegouders worden versterkt, zodat kinderen en ouders meer zekerheid krijgen over het gezin waar ze zullen opgroeien. Blijkt na een periode van ongeveer drie jaar dat het kind definitief in een pleeggezin zal blijven, dan moet de rechtspositie hier aan worden aangepast. De pleegouders krijgen het gezag en de natuurlijke ouder zou een afgeleide gezagspositie moeten krijgen. Dat draagt niet alleen bij tot meer zekerheid voor het kind, maar maakt pleegzorg ook aantrekkelijker voor ouders, die nadenken over adoptie. Uiteindelijk zouden deze veranderingen moeten leiden tot meer goede gezinnen voor kinderen uit Nederland en natuurlijk ook voor kinderen uit het buitenland.
Pleegkinderen in huis nemen gaat dikwijls gepaard met verdriet. De eigen moeder gaat steeds voor, al is het niet altijd in het belang van het kind.
Voor de kinderen zelf kan het ook heel verwarrend zijn.
Er kunnen heel schrijnende dingen gebeuren, het zou teveel tijd vergen om in detail te treden, maar het is de waarheid.
@Zeezicht
Het is natuurlijk altijd verdrietig als kinderen niet bij hun echte ouders op kunnen groeien, en wie kinderen in die situatie op wil vangen, moet daar van te voren natuurlijk goed op voorbereid zijn.
Maar dat is natuurlijk ook zo bij adoptiekinderen. Ook zij worden in verdrietige omstandigheden afgestaan en dat eist het nodige van de adoptieouders. Kinderen zijn ook daar vaak van ouders weggehaald vanwege bijvoorbeeld verwaarlozing of mishandeling.
Het is vreemd dat er zo positief gedacht wordt over adoptie en zo negatief over pleegkinderen, terwijl dit kinderen zijn die in vergelijkbare situatie zijn als pleegkinderen.
‘in verre landen is de controle natuurlijk nooit optimaal’, tja, alsof het er in België en in Nederland allemaal zo eerlijk aan toe gaat.
Niki
(Pleegpapa en wachtende op een kindje uit China)
Wij kunnen ook moeilijk kinderen krijgen en hebben de VIA cursus gedaan (adoptie), maar besloten toch voor de pleegzorg te kiezen. Pleegzorg heeft ons verzekerd (al kunnen ze dat natuurlijk nooit 100% en dat is wat de meeste aspirant ouders niet aankunnen) dat er op dit moment zwangere vrouwen rondlopen waarvan de kinderen al op de lijst staan en waarvan ze eigenlijk al weten dat ze nooit meer naar huis kunnen. Je kan als pleegouder ook aangeven in hoeverre je problemen hebt met dingen, wij komen gewoon voor onszelf op. Ik vind het mooie aan pleegzorg de duidelijkheid die je het kind kan bieden, maar ben het ook eens met het artikel hierboven, dat het kind soms geen belang heeft bij het contact met de natuurlijke moeder. Zo hoorde ik bv. dat een pleegvader, die zijn zoon met alle liefde opvoed, hem na een dagje met de boilogische moeder te hebben meegegeven bont en blauw weer terug kreeg, dat zou ik dus niet pikken en meteen aan de bel trekken.
Jose
Ook in andere situaties dan adoptie en pleegzorg wordt met twee maten gemeten. Verzorgende ouders trekken juridisch doorgaans aan het langste eind, verzorgende pleegouders echter aan het kortste. Bij echtscheiding krijgen in principe beide ouders het gezag. In conflictsituaties wijst de rechter het gezag meestal toe aan de verzorgende ouder. Tweede Kamerlid Coskun Cörüs (CDA) e.a. springen momenteel in de bres voor ouders met een buitenlandse ex die na scheiding met hun kind(eren) naar Nederland willen terugkeren. Juridisch zouden zij zich schuldig maken aan kinderontvoering. Cörüs vindt dat de verzorgende ouder bij de rechter het ouderlijk gezag moet kunnen opeisen (zie: Moeders zonder kind, NRC Handelsblad, 27/09/08). In een gesprek dat ik onlangs met hem had over de rechtspositie van pleegouders, waarvoor hij eveneens in de bres springt maar niet op key issues, laat hij weten ouderlijk gezag voor pleegouders een paar bruggen te ver te vinden. Wanneer het kind langer dan twee jaar in een pleeggezin woont, wil Cörüs zelfs niet dat de instelling voor jeugdzorg het gezag krijgt (zoals minister Rouvoet voor jeugd en gezin op dit moment in een wetswijziging voorstelt).
Pleegouders hebben weinig juridische been om op te staan. Zo hebben pleegouders van een kind dat onder toezicht van de rechter staat geen recht een ‘nee’ te laten horen bij de kinderrechter als Bureau Jeugdzorg hun pleegdochter of -zoon tegen hun wil overplaatst. Ook niet als zij al vijf of tien jaar voor het kind zorgen. Instemmings- of adviesrecht hebben pleegouders evenmin. Het kan zomaar gebeuren dat Bureau Jeugdzorg de bezoekregeling met de familie verandert zonder overleg met, laat staan instemming van de pleegouders. Hoewel het aantal uithuisplaatsingen sinds ‘Savannah’ toeneemt en de wachtlijsten voor jeugd- en pleegzorg groeien, wordt er nog altijd eerder aan het welzijn van een kind getornd dan aan de rechten van de biologische ouders.
Ook in andere situaties dan adoptie en pleegzorg wordt met twee maten gemeten. Verzorgende ouders trekken juridisch doorgaans aan het langste eind, verzorgende pleegouders echter aan het kortste. Bij echtscheiding krijgen in principe beide ouders het gezag. In conflictsituaties wijst de rechter het gezag meestal toe aan de verzorgende ouder. Tweede Kamerlid Coskun Cörüs (CDA) e.a. springen momenteel in de bres voor ouders met een buitenlandse ex die na scheiding met hun kind(eren) naar Nederland willen terugkeren. Juridisch zouden zij zich schuldig maken aan kinderontvoering. Cörüs vindt dat de verzorgende ouder bij de rechter het ouderlijk gezag moet kunnen opeisen (zie: Moeders zonder kind, NRC Handelsblad, 27/09/08). In een gesprek dat ik onlangs met hem had over de rechtspositie van pleegouders, waarvoor hij eveneens in de bres springt maar niet op key issues, laat hij weten ouderlijk gezag voor pleegouders een paar bruggen te ver te vinden. Wanneer het kind langer dan twee jaar in een pleeggezin woont, wil Cörüs zelfs niet dat de instelling voor jeugdzorg het gezag krijgt (zoals minister Rouvoet voor jeugd en gezin op dit moment in een wetswijziging voorstelt).
Pleegouders hebben weinig juridische been om op te staan. Zo hebben pleegouders van een kind dat onder toezicht van de rechter staat geen recht een ‘nee’ te laten horen bij de kinderrechter als Bureau Jeugdzorg hun pleegdochter of -zoon tegen hun wil overplaatst. Ook niet als zij al vijf of tien jaar voor het kind zorgen. Instemmings- of adviesrecht hebben pleegouders evenmin. Het kan zomaar gebeuren dat Bureau Jeugdzorg de bezoekregeling met de familie verandert zonder overleg met, laat staan instemming van de pleegouders. Hoewel het aantal uithuisplaatsingen sinds ‘Savannah’ toeneemt en de wachtlijsten voor jeugd- en pleegzorg groeien, wordt er nog altijd eerder aan het welzijn van een kind getornd dan aan de rechten van de biologische ouders.