Hogere belastingmoraal en andere integriteitskwesties
maandag 28 april 2008 door Dick Pels
‘Persoonlijk ken ik wel twijfels, maar geen dilemma’s. Het is zwart of wit’, zegt Jenny Thunnissen, de omstreden directeur-generaal van de Belastingdienst, in Dilemma’s aan de top van Henk Bruning en Paul Strijp. Ze zegt nog meer behartenswaardige dingen. Zo vindt ze de wet die verplicht tot het voeren van integriteitsbeleid ‘te zwaarmoedig’: die veroorzaakt alleen maar bestuurlijke drukte en legt de nadruk op controles. Ze somt de basiswaarden op die het integriteitsbeleid van de Belastingdienst bepalen: geloofwaardigheid, verantwoordelijkheid en zorgvuldigheid. Geloofwaardigheid ‘vraagt om voorbeeldgedrag, onafhankelijkheid en het vermijden van belangenverstrengeling. Dat betekent dat je 24 uur van de dag belastingambtenaar bent. Knoeien met de belastingaangifte kan dus niet.’
De auteurs hebben op basis van een aantal interviews een boekje samengesteld over dilemma’s die topmensen in de publieke en semi-publieke sector ervaren over integriteit. Het dilemma van Jenny Thunnissen is inmiddels wel heel groot geworden, nu zij haar bijbaan als financieel toezichthouder bij een Delftse ziekenhuisgroep heeft moeten neerleggen ‘om reputatieschade voor fiscus en ziekenhuis te voorkomen.’ NRC Handelsblad had eerder gemeld dat 76 ziekenhuizen, waaronder het ziekenhuis waar zij toezicht hield, de fiscus voor € 104 miljoen hadden getild. Thunnissen zelf ontkende dat zij van de ontwijkingsconstructies op de hoogte was. De ambtelijke leiding van Financiën stelde zich subiet achter haar op: er was geen reden om te twijfelen aan haar integriteit en de berichtgeving was daarom ‘buitengewoon grievend’. De Tweede Kamer werd boos en de oppositie van SP tot VVD achtte de positie van de directeur-generaal ‘onhoudbaar’.
Bruning en Strijp konden natuurlijk niet vermoeden dat de integriteit van hun gesprekspartner zo controversieel zou worden. Ook elders in hun boek tonen zij een vorm van begrip voor de veelgeplaagdheid van topmensen die grenst aan vergoelijking. Zo mag Ludo van Halderen, bestuursvoorzitter van Nuon, jammeren over de ‘moeilijke momenten’ die hij had tijdens de publieke discussie over zijn salaris (ruim 5x Balkenende). ‘Omwille van het effect’ leverde hij zijn bonus in, maar ‘in de context van de toenemende internationale concurrentie’ was dat eigenlijk niet verantwoord. De salarisdiscussie in Nederland is ‘onwaarachtig’: alleen al binnen Nuon verdienen er ongeveer 300 medewerkers méér dan Balkenende. In zijn hart vindt Van Halderen het daarom nog steeds volledig onterecht dat hij van die bonus heeft afgezien.
Ook Hans Alders, voormalig Commissaris van de Koningin in Groningen en in opspraak geraakt omdat hij zijn salaris met allerlei bijbanen wist te verdubbelen, mag steen en been klagen over zijn beschadigde reputatie, net als ex-burgemeester van Rotterdam Bram Peper en ex-Minister van Landbouw Cees Veerman. De auteurs doen er zelf nog een schepje bovenop door op de smalle basis van tien interviews (tien andere topmensen weigerden mee te doen) vérgaande morele en politieke conclusies te trekken: de aandacht van de media voor het privéleven van bestuurders is te groot, ‘onkreukbaarheid’ is wel erg veel gevraagd voor een mens. De Balkenende-norm voor het maximum-inkomen in de (semi)publieke sector heeft ‘onvoldoende maatschappelijk draagvlak’, leidt tot persoonlijke beschadiging van bestuurders en kan dus beter worden afgeschaft. Dit algemene inzicht wordt ontleend aan de gesprekken met de eerdergenoemde Alders, Van Halderen en Veerman.
Het is goed om te weten dat deze gevoelens van onbehagen en rancune bij sommige topmensen leven, en dat media-aandacht en publieke discussie over misstanden wel degelijk iets uithalen. Daar moeten we de auteurs misschien dankbaar voor zijn. Maar werkelijk kritisch (ik had bijna gezegd: integer) onderzoek naar dilemma’s van integriteit wordt niet gedaan door de persoonlijke geraaktheid van topmensen ruim baan te geven en hun discutabele opvattingen over geld en eer zonder meer over te nemen. Laten we hopen dat Jenny Thunnissen in ieder geval de eer aan zichzelf houdt. Zij kent immers geen dilemma’s: het is volgens haar zwart of wit.
(deze column verscheen eerder op www.boekcover.nl)
Dit soort inkomensverschillen zijn hoe dan ook zorgwekkend. Sociaalwetenschappelijk onderzoek heeft uitgewezen dat mensen in maatschappijen met grote inkomensongelijkheid minder lang leven, elkaar sneller wantrouwen, meer te lijden hebben van xenofobie en minder vertrouwen hebben in de toekomst. In maatschappijen met grote inkomensverschillen is de kans klein dat de levens van arm en rijk elkaar kruisen. De kinderen van arm en rijk zullen naar verschillende scholen gaan. De rijken kennen er andere vormen van gezondheidszorg en ze worden bovendien beter beschermd door politie en privé bewakingsdiensten. De politiek zal veel meer voor geld te koop zijn en daardor neemt de kans op corruptie toe. In zulke maatschappijen delen arm en rijk niet langer een gemeenschappelijk lot en zoekt soort zijn eigen soort op.
Een ieder die enig verstand heeft van sociaal kapitaal weet dat je moet streven naar een maatschappij met grotere inkomensgelijkheid en reële gelijke kansen. Bovendien zal je rigoureus elke vorm van segregatie moeten zien te voorkomen –op school of in wijken. Hoe meer kinderen uit verschillende sociale lagen door elkaar heen leven en werken, hoe meer sociaal kapitaal ze zullen ontwikkelen –eenvoudig omdat ze zich al vroeg en daarna regelmatig moeten leren inleven in anderen die sociaal van hen verschillen. Sociaal kapitaal verwerf je niet als je alleen met mensen van je eigen soort omgaat.
Wat nu in Nederland gebeurt is verontrustend, omdat tal van sociale indicatoren de verkeerde kant op wijzen. Het veelverdienen is daar maar een klein aspect van, maar het heeft wel een behoorlijke signaalfunctie. Helaas, de van zelfmedelijden vervulde en verongelijkte wijze waarop veelverdieners op de kritiek reageren –zie de column van Dick Pels en het boek dat hij bespreekt – is veelbetekenend. Voedselbanken en topsalarissen : we beginnen steeds meer op een ontwikkelingsland te lijken. Net zoals we boos zijn op mensen die misbruik maken van de sociale vorzieningen, zo moeten we boos zijn op degenen die misbruik maken van dit soort ‘markten’.
‘Voedselbanken en topsalarissen : we beginnen steeds meer op een ontwikkelingsland te lijken’: inderdaad. Ik attendeer alvast op onze volgende Waterland-activiteit: de presentatie van een nieuw boek van Marcia Luyten op 27 mei a.s. in De Balie: zij werkt die verontrustende gedachte uit. Africa is Here!
Van denivellering is in Nederland nauwelijks sprake, zo concludeerde Ewout Irrgang, toch iemand uit onverdachte hoek, nog maar twee jaar geleden in de ESB. De discussie over topinkomens in de publieke sector gaat dan ook niet over de hoogte van de topinkomens an sich. Het debat daarover heeft weinig opgeleverd, omdat de politiek over de salarissen in de private sector weinig te zeggen heeft. Vanwege de machteloosheid van de politiek ten aanzien van de inkomens in de private sector heeft de discussie over heeft zich vervolgens verlegd naar salarissen in de (semi)publieke sfeer. Daar kan de politiek wel ingrijpen. De discussie gaat nu over twee zaken: wat de publieke sector is en wat we voor een goed functionerende overheid over hebben.
Om met de laatste vraag te beginnen: wat hebben we voor de publieke sector over? Het inkomen van de premier bedraagt nu 135 000 euro per jaar. Dit is zo’n beetje wat in het bedrijfsleven een manager in het tweede echelon ontvangt en is een van de laagste premiers-salarissen van Europa. (http://www.parlement.com/9291000/modulesf/gpql0vyg).
Om het loongebouw in Nederland te bezien is de commissie Dijkstal ingesteld. Deze heeft voorgesteld om de ministersalarissen te verhogen, omdat de premier minder verdiende dan een topambtenaar. De andere oplossing, het verlagen van ambtenarensalarussen, was niet haalbaar. Dan moest het gehele ambtelijke loongebouw (met ongeveer 30% per schaal) zodanig worden verlaagd, dat er helemaal niemand meer ambtenaar zou willen worden. Kortom: een salaris dat idealisten aanspreekt.
Het voorstel heeft het niet gehaald, omdat de PvdA de salarissen van ministers niet durfden te verhogen. Een solide oplossing is dan ook niet in zicht. De verontwaardiging van de bekleders van publieke functies zal voor een deel voortkomen uit het feit dat zij ook idealisten zijn en niet alleen maar misbruikmakende zakkenvullers.
De eerste vraag, over wat de publieke sector is, blijft actueel. Wat mij betreft is het antwoord daarop dat wie zijn inkomen met name verdient vanuit een budget, gefinancierd door belastinginkomsten of door de overheid vastgestelde tarieven, tot de publieke sector behoort. Wie verantwoordelijk is voor de winst van eenbedrijf, loopt een flink risico en moet hiervoor in zijn salaris worden gecompenseerd.
@ Irene: dank voor de zo broodnodige nuance. Maar ondanks dat er geen sprake is van vergaande denivellering kunnen incidenten wel erg beeldbepalend zijn. Ik denk dat het tijd wordt dat bij uitwassen verantwoordelijkheid wordt genomen.
Ten eerste: in de marktsector (inclusief Nuon, Essent en andere energieleveranciers) is dat uiteindelijk de onsument. Het staat ieder vrij te wisselen van supermarkt, energieboer, etc. etc.
Ten tweede: in de publieke sector is dat de overheid (politiek). Als de Kamer echt van mening is dat een ziekenhuisdirecteur slechts één “JP” mag verdienen, heeft zij alle mogelijkheden om dat te bewerkstelligen. (Zullen ze alleen wel eerst iets moeten doen aan de wildgroei van zbo’s…
Gevolg kan dan wel zijn dat ervaren bestuurders vertrekken en een (gemiddeld) lager niveau het roer overneemt.
Inderdaad, hoe genuanceerder hoe beter. Maar alle nuances ten spijt, er was ooit een tijd waarin er geen voedselbanken en geen topsalarissen waren. Het kan best zijn dat er geen denivellering in Nederland heeft plaatsgevonden, maar er zijn wel topsalarissen en voedselbanken ontstaan. Het feit dat we niet gedenivelleerd zijn heeft in zoverre een ander gezicht gekregen. Er is bovendien minder opwaartste mobiliteit, meer segregatie en de kans dat je sociaal naar beneden valt is toegenomen. Volgens sommigen - zie het artikel van Thijs Wöltgens in de NRC van 12/13 april jongstleden - is de middenklasse in Nederland (en ook daarbuiten) aan het verdwijnen. De voordelen van vrijere handel slaan vooral bij de top neer. “Aan de bovenkant formeert zich zo een stabiele, en in velerlei opzicht haast erfelijke, klasse”, aldus Wöltgens.
Nu kan het overigens best zo zijn dat veel Nederlanders er dankzij de nieuwe economische spelregels - die topsalarissen en voedselbanken toelaten - er in de jaren tachtig en negentig op vooruit zijn gegaan. Maar dan wel als consument of belegger, niet als burger. Wat dat laatste betreft, overal om ons heen zien we hoe de democratie de laatste paar jaren aan legitimiteit verliest. Wereldwijd wordt wel gesproken van een ‘democratic rollback’ [zie L.Diamond, "The Democratic Rollback." Foreign Affairs 87(1), 2008]
Consumenten of investeerders hoeven geen collectieve afspraken te maken om er toch op vooruit te gaan. Maar burgers kunnen niet om dat soort afspraken heen. Zaken als de bescherming van natuur en milieu, de beslissing over de variatiebreedte van salarissen, de bepaling van de hoogte van de sociale uitkeringen of de verbetering van de infrastructur: dat zijn allemaal kwesties die alleen collectief geregeld kunnen worden -en wel door langs democratische weg de regels van het spel te veranderen.
Er is in dat opzicht iets eigenaardigs aan de hand. Fiets een dag door de mooie streken van Nederland en je staat versteld van hoe welvarend veel mensen op dit moment leven. Lees de weekbladen en je merkt daarnaast, dat veel koopkrachtige Nederlanders een coach hebben en zich regelmatig door een binnenhuisarchtict, een designer, een hovenier of een beautyspecialist laten adviseren. In de VS heb je tegenwoordig zelfs bureaus van ‘wantologists’: verenigingen van deskundigen die je kunt huren om uit te vinden wat je nu eigenlijk wilt in dit leven. Je kunt in de VS inmiddels ook advies inwinnen van bedrijven die deskundig zijn op het gebied van ‘familiewaarden’ en bij je thuis komen om je te helpen een familieplan op te stellen, compleet met schema’s en grafieken om te checken of je als gezin wel vooruitgang boekt. Familiewaarden via de markt, wat wil je nog meer?
Zo gretig als mensen zich privé door deskundigen laten helpen en daar grif voor betalen, zo wantrouwend zijn ze jegens ‘de politiek’. Politici? Die lopen mensen alleen maar voor de voeten. Verlaat de privé-sfeer en en de ergernis jegens het ‘Haags geneuzel’ begint. Niemand voelt zich door politici vertegenwoordigd. Iedereen heeft het gevoel dat onze instituties de zittende macht beschermen en privé-belangen dienen. In de privé-sfeer verlaten we ons vol vertrouwen op raadgevers en mindmanagers, publiekelijk uiten we vooral wantrouwen jegens de politiek en jegens politieke instituties.
Vanwege de huidige politieke malaise en de ergernis over ‘Haags geneuzel’ zijn we niet in staat door goede wetgeving de regels van het spel te veranderen. Vandaar dat we aan veelverdieners een moreel appel doen om te minderen. Er doet zich de volgende paradox voor: hoe minder we in staat zijn door gezamenlijk overleg en verstandige wetgeving de regels van het spel te veranderen hoe heftiger we aan het moraliseren slaan. Maar wat heb je aan moraliseren in een wereld waarin je de instituties niet vertrouwt en veel mensen zich cynisch over het algemeen belang uitlaten? Het is precies zoals Irene Voskamp zegt: wat hebben we over voor de publieke zaak? Met de nadruk op dat woordje ‘we’. ‘Ik’ kan persoonlijk van alles van en nog wat voor de publieke zaak over hebben, maar of ik er echt iets voor opoffer, hangt van de anderen af. Als ik niet het gevoel heb dat anderen veel voor de publieke zaak over hebben, waarom zou ik in m’n eentje een morele sukkel zijn? Er is een oud Hollands spreekword dat zegt: vertrouwen komt te voet en gaat te paard. In de publieke ruimte galoppert het vertrouwen weg, in de privé-sfeer blijft hij te voet komen. Die spanning moet een keer exploderen
@ pekelharing
Ik ben het wel eens met de soort van algemene strekking van je betoog: er is veel aan de hand in de wereld en we zouden daar samen eens wat aan moeten doen, maar waar ik me aan erger is dat dat betoog constant wordt gekoppeld aan een betoog over de vraag hoe veel bestuurders mogen verdienen. Volgens mij werk je daarmee het wantrouwen verder in de hand: ik begrijp niet wat hullie daar doen in den haag maar ze worden er in ieder geval wel dik voor betaald. Het lijkt hier wel Afrika! En dat op mijn kosten.
Tweede punt: ik mis ten ene male een globalistische noot in de betogen. De bazen van Shell, unilever enz zeggen dat ze in een internationale markt opereren waar je toch een beetje in mee moet gaan, ook kwa loonontwikkeling. Is dat helemaal onzin?
Irene: bedankt voor je commentaar.
(1) Ik ben niet zozeer geïnteresseerd in hoeveel topbestuurders mogen verdienen, als wel in hoeveel inkomensongelijkheid we in dit land toestaan en waarom: er zijn veel argumenten te geven voor geen al te grote inkomensongelijkheid (dat is rijkelijk vaag, maar ik laat het daarbij). Of we bij machte zijn daar wat aan te doen, is natuurlijk de vraag.
(2) Ik ben benieuwd naar kwesties van mobilitiet en naar structurele machtsverschillen in Nederland -dus niet in het statische plaatje, waar Irene Voskamp het over had, maar in het dynamische plaatje: nemen de verschillen toe, en zo ja, waarom is dat zo en wat zou daar aan gedaan kunnen worden? Is het waar dat de middenklasse in Nederland verdwijnt en wat heeft dat te betekenen?
(2) Ik ben het geheel eens met je globalistische kanttekening. Wil je meer vat krijgen op processen die zich op bovennationaal niveau afspelen, dan zul je vormen van democratie moeten bedenken, waarin de regels van het spel op bovennationaal niveau op democratische wijze geëvalueerd, gewogen en aangepakt kunnen worden. Het is inderdaad verbijsterend hoe weinig er in de media over de mogelijkheid van bovennationale vormen van democratische controle wordt nagedacht. Dat is vreemd, want of het nu om het beteugelen van inkomensverschillen, finaciele stabiliteit, het handhaven van vrede en veiligheid, bestrijding van misdaad, het verschaffen van schoon drinkwater of het voorkomen van de opwarming van de aarde gaat, geen van die zaken kan op nationaal niveau worden opgelost. Daar is voortdurend internationale samenwerking voor nodig. Het hele idee dat we bij dit soort zaken tussen ‘binnenland’ en ‘buitenland’ kunnen onderscheiden wordt in toenemende problematisch. We kunnen geen nationale doelen realiseren zonder internationale samenwerking en bezinning op de effecten van onze nationale politieke besluiten elders (en omgekeerd). Juist daarom lijkt me die democratische ‘rollback’, waar ik het hierboven over had, zorgwekkend.
(3) Er is in dat verband overigens niets tegen nationale trots, zolang we, nogmaals, maar niet vergeten dat vrijwel alle verworvenheden waar we trots op zijn vandaag de dag alleen door supranationale, internationale, transnationale, en interregionale samenwerking in stand gehouden en veilig gesteld kunnen worden. Ik weet niet hoe het met de website van mevrouw Verdonk gaat, maar het zou goed zijn als op die site de noodzaak van dergelijke samenwerking eens wat sterker werd beklemtoond -we kunnen het ons tegenwoordig gewoon niet premitteren geen kosmopolieten te zijn. Al het moois dat Verdonk ons wil garanderen kan niet zonder samenwerking over de grenzen heen en voor zover ze lelijke dingen zou willen doen, loopt ze het risico tegen het Europese hof van justitite aan te lopen of voor een Europese commissie te worden gedaagd. De traditionele arbeidsdeling waarin staten zich uitsluitend om het welvaren van de eigen bevolking bekommeren en niets om de effecten van hun politiek elders geven, die kan eenvoudig niet meer.
@Irene: Je spreekt over globalisering en het salaris van topbestuurders dat mee moet gaan met de internationale marktwerking. Ik heb dat altijd een raar verhaal gevonden. Om dezelfde redenen krijgen mensen aan de onderkant van het loongebouw: fabrieksarbeiders, postbodes, schoonmakers, te horen dat salarissen omlaag moeten vanwege internationale markwerking. Of ze verliezen hun baan als geheel omdat de boel ge-outsourced wordt. Waarom gelden er voor die topbestuurders andere wetten dan voor de arbeiders onderaan? Waarom worden geen goedkopere Indiase, Chinese of Poolse topbestuurders aangetrokken die de salarissen van de top naar beneden trekken?
Ik geloof dat er helemaal geen sprake is van marktwerking aan de top. Laat ik zo populistisch zijn dat ik gewoon geloof dat die mensen heel erg hard bezig zijn elkaars portemonnee onder de dekmantel van dit soort verhalen te spekken. Maar goed: al zou je gelijk hebben en betekent globalisering dat de allerrijksten rijker worden en de armsten armer: wat moet ik dan met die globalisering? Ik wil een dergelijke onrechtvaardige globalisering helemaal niet! Dus dan gaan we of voor de grote idealistische oplossingen van Pieter (waar ik helemaal achter sta, maar waarbij ik ook besef dat het verdomd elitair is om daar achter te staan) of we worden vreselijk provincialistisch (op z’n SP’s). En ook dat is best te begrijpen.
Dylan, ik vind het idee dat alleen de elite over de grenzen heen kijkt precies het probleem. Als we ons tegen die elite willen verzetten, dan zullen we hetzelfde moeten doen als zij: we zullen bondgenoten over de grenzen moeten zoeken om hun macht aan banden te leggen. Ik vnd de gedachte dat kosmopolitisch denken per definitie elitair zou zijn een van de raarste gedachten die op dit moment de ronde doen. Het lijkt me noch elitiar noch idealistisch om na te denken over hoe we de goede dingen binnen onze grenzen kunnen bewaren door over onze grenzen heen te kijken en hoe we slechte dingen kunnen voorkomen door precies hetzelfde te doen. Waarschijnlijk zijn we het op dit punt met elkaar eens, maar ik wou het toch maar even gezegd hebben. Ik vind het jammer dat Nederland tegenwoordig alleen met zichzelf bezig is.
Om bij het voorbeeld te blijven waarmee we begonnen: hoe denk je anders het probleem van de topasalarissen en de banen die hier verdwijnen aan te kunnen pakken? Met belastingheffing alleen kom je er niet. Het is een cliché misschien, maar we hebben nieuwe instrumenten van sociale rechtvaardigheid en nieuwe vormen van democratische controle nodig, om de problemen te kunnen aanpakken op de plaatsen waar ze daadwerkelijk oplosbaar zijn: soms is dat op nationaal, soms op internationaal en soms op lokaal niveau. De grote kwestie is: hoe bepalen we wie waar competent is om de problemen op te lossen en hoe zorgen we er voor dat de kwestie van competentieverdeling onder democratisch toezicht komt? En wat wil ‘democratische’ controle in dit verband precies zeggen? Wie behoort op supranationaal niveau tot de ‘demos’ van de democratie en wie niet?