Meningsvrijheid. Waarom ook al weer?
maandag 17 maart 2008 door Pieter Pekelharing
Gelukkig heeft de Volkskrant – zie de blog van Brechtje hieronder –dit weekend veel aandacht gewijd aan de achtergronden van het beginsel van vrije meningsuiting. Maar wat je in de Volkskrant niet terugvindt, is dat vrije meningsuiting een recht is dat soms tegen andere moet worden afgewogen. Neem ter illustratie het stuk van Gabriël van den Brink in de NRC van 3 maart jongstleden: ‘Capituleer niet voor de radicale Islam’. Brechtje verwees er ook al naar in een van haar eerdere blogs. In dat stuk komt Gabriël van den Brink keihard op voor de vrijheid van meningsuiting, zonder ook maar één keer uit te leggen waarom dat recht zo fundamenteel is dat er wat hem betreft doden voor mogen vallen. Hij meldt terloops dat mensen ook recht op fysieke bescherming hebben, maar weigert zich af te vragen wat we moeten doen in het geval beide rechten frontaal tegenover elkaar komen te staan.
Grofweg bestaan er twee soorten verdediging van het recht op vrije meningsuiting. Aan de ene kant bevinden zich degenen die streng tussen woord en daad scheiden. Woorden doen volgens aanhangers van deze visie geen pijn zolang niemand de daad bij het woord voegt. Woorden zijn dus vrij omdat ze letterlijk en figuurlijk niets kosten. Dat gebeurt pas waneer woorden in daden worden omgezet. Op dat moment wordt er volgens aanhangers van deze visie een nieuwe situatie gecreëerd, waarin niet het recht op vrije meningsuiting, maar het recht op fysieke bescherming in het geding is. In deze visie ‘doet’ de film van Wilders niets en zijn het alleen de demonstranten op straat die door hun daad iets doen.
Aan de andere kant heb je degenen die erkennen dat woorden op zichzelf wel degelijk pijn kunnen doen. De tweede visie, die Gabriël van den Brink niet deelt, is interessanter en realistischer dan de eerste. Woorden kunnen mensen bedoeld of onbedoeld verwonden, kwetsen of klein maken. Soms zijn de gevolgen daarvan even erg als de schade die mensen letterlijk wordt toegebracht.
Maar als het waar is dat woorden mensen kunnen verwonden, waarom dan niet erkennen dat er af en toe situaties zijn, waarin de kosten van het vrije woord te hoog worden? En geldt dat bijvoorbeeld niet voor de film van Wilders? De film is een zoveelste provocatie aan het adres van ‘de’ Islam. Na de vertoning van Hirsi Ali’s submission, na de cartoon-affaires in
Denemarken en Frankrijk, na de discussies rond de Burka-verboden en de wekelijkse columns van Afshin Ellian, is het onduidelijk wat deze film nog aan dat debat kan toevoegen. Wilders breekt met zijn film geen vastzittende kwestie open. Hij voegt niets toe aan wat we al weten. Er worden door de film geen verzwegen misstanden aan de kaak gesteld. Al kennen we de beelden van Wilders’ film niet, we weten het wijsje wel. Lees een paar columns van Ellian en je weet genoeg.
Natuurlijk, Wilders heeft z’n recht op vrije meningsuiting, maar dat recht verliest z’n gewicht als degene die van dat recht gebruik maakt niets aan het debat toevoegt en alleen een herhaling van zetten uitlokt. Het recht op vrije meningsuiting wordt belangrijker naarmate het om cruciale informatie gaat die ons dreigt te worden onthouden. De enige reden waarom de film toch vertoond moet worden is dat burgers het belang van die informatie zelf moeten kunnen bepalen. Maar het blijft bitter dat we nu al weten dat de film weinig tot niets aan het debat zal toevoegen. Wilders verdedigen betekent op het ogenblik zinloze provocaties verdedigen.
Voor alle duidelijkheid. Het recht op vrije meningsuiting is een groot goed, Ze vormt de grondslag van onze democratie. Zonder meningsvrijheid weet je niet waar je staat, waarom je daar staat en wat je ideeën waard zijn. Mensen hoeven elkaars meningen of religieuze praktijken niet te respecteren om toch het feit te respecteren dat meningen of religieuze praktijken nooit via de wet of het zwaard mogen worden opgelegd. Het grondwettelijke verankerde recht op vrije meningsuiting garandeert dat burgers in een samenleving op voet van gelijkheid met elkaar kunnen omgaan en beschermt hun menselijke waardigheid. De Franse filosoof Montesquieu had in de achttiende eeuw gelijk toen hij een contrast schetste tussen de “afschuwelijke rust” die in tirannieën heerst en het “pandemonium van opinies” dat in ‘beschaafde’ maatschappijen bestaat. In een vrije maatschappij, aldus Montesquieu, komen goede beslissingen niet ondanks maar juist dankzij de veelheid van meningen tot stand. In zo’n maatschappij is het “vaak niet van wezenlijk belang of individuen goed of slecht argumenteren. Dát ze argumenteren is de hoofdzaak.” Je hoeft Joris Luyendijks Het zijn net mensen maar te lezen om te weten hoe hoog de prijs is die mensen voor het verlies van het recht op vrije meningsuiting moeten betalen.
Maar dat alles vormt nog geen reden het recht op vrije meningsvrijheid te verabsoluteren. Van den Brink is in zijn stuk boos op de regering, maar dat lijkt me ontrecht. De regering schendt het recht op vrije meningsuiting niet als ze op de kosten van dat recht wijst en voor het onderling afwegen van fundamentele rechten pleit. Vandaar dat het ook zo belangrijk is, onze vrijheidsrechten - waaronder het recht op godsdienstvrijheid - apart te benoemen. Dan wordt vanzelf duidelijk dat we ze zelden allemaal tegelijk kunnen honoreren.
Iedereen weet nu al dat Wilders drakentanden zaait die storm zullen oogsten. Het is wrang dat dit zoveelste rondje haat en geweld vanwege het beginsel van vrije meningsuiting geduld moet worden. En het is nog wranger dat dit geduld moet worden van iemand die zelf alle conventies van vrije meningsuiting met voeten treedt. De enige troost is dat het grondwettelijk verankerde recht van vrije meningsuiting zelf nodig is om dit spoort misbruik ervan aan de kaak te stellen. En hoe je het ook wendt of keert, in verreweg de meeste gevallen zijn woorden beter dan verboden in staat de pijn van woorden te verzachten. De film van Wilders werkt, vanuit Wilders gezien, het beste als hij zijn slachtoffers monddood maakt en hen tot tweederangsburgers bestempelt. Hoe vaker de film besproken wordt, hoe futieler de effecten ervan zullen worden. Het beste wapen tegen Wilders is de cabaratier.

L.S.,
Ik volg je onderscheid tussen de twee “verdedigingen” van de vrijheid van meningsuiting wel, maar ik ben bang dat je toch iets vergeet: het onderscheid is niet zozeer van belang voor het recht zelf, maar meer voor de vraag hoe je te weten komt waar het ophoudt.
Als een recht daadwerkelijk een recht is, mag het niet afhangen van het fiat van de overheid. Dat betekent niet dat de overheid geen grenzen mag stellen, maar wel dat de overheid die grenzen moet stellen a) in de wet en b) op zo’n manier dat de regel op een objectieve manier kan worden toegepast op voorkomende situaties.
Waar twee grondrechten botsen is er altijd een probleem. Dergelijke situaties zijn heel moeilijk in algemene zin op te lossen. Maar dat is hier niet het geval. Welk grondrecht botst met het recht van meneer Wilders?
Alleen door zo precies en objectief mogelijk de grens te trekken tussen woorden en daden kan de eerste categorie beschermd worden.
Beste martinned
Bedankt voor je reactie. Ik ben het met je eens dat je op minstens twee manieren over rechten kunt spreken: een juridische en wat ik voor het gemak maar een filosofische zal noemen. Mij ging het om het laatste: waarom hechten we aan het beginsel van vrije meningsuiting zoveel waarde en hoe pas je dat beginsel op zo redelijk mogelijke wijze toe? Dat zijn zaken die je je kunt afvragen nog voor je bij de rechter komt. Toen ik het onderscheid maakte moest ik niet meteen aan de rechtspraak denken, maar aan burgers zoals jij en ik, die af zich afvragen waarom we voor of tegen het beginsel zouden moeten zijn. De kunst is het recht op vrije meningsuiting zo uit te leggen dat je ook iets kunt zeggen over de momenten waarop aan dat recht heel veel (of weinig) gewicht moet worden gehecht.
Wat botsende grondrechten betreft, wat vind je van de botsing tussen Wilders’ recht op vrije meingsuitng en het recht van anderen op fysieke bescherming? Menig burgemeester heeft in het verleden politieke demonstraties van extreem rechts in zijn stad verboden, omdat hij niet de rekening van kapotte ruiten en opgebroken straten wilde betalen. Waarom zouden de kosten voor de film van Wilders niet en die van demonstraties van extreem rechts wél in rekening mogen worden gebracht? In het geval van de burgemeesters werd er niet eens met levens gedreigd. Stel dat veganisten morgen in alle winkels van Albert Heijn een week lang protesteren tegen het vlees dat daar verkocht wordt. Zou hun politieke recht om daartegen te protesteren verdedigd worden als dat elke dag tot rellen, huilende omstanders, teruglopende klandizie en hoogoplopende politiekosten leidt? Wedden dat de kosten in dat geval wel degelijk ter sprake zouden worden gebracht?
Begrijp me goed: ik ben voor demonstraties van extreem rechts en ook voor de (denkbeeldige) acties van veganisten, maar ik word een beetje kregelig van de snelheid waarmee kosten-baten analyses te voorschijn worden getoverd als het om het recht van vrije meningsuiting op straat gaat en de woede van iemand als Gabriel van den Brink wanneer het om Wilders gaat. Als je uitvoerig gaat zitten voorrekenen hoe duur een demonstratie is en niet hetzelfde bij de film van Wilders doet, is er iets grondig mis. Dan wordt er met twee maten gemeten: één voor ‘op relletjes beluste’ tweederangsburgers en één voor een de Islambasher Wilders.
Ik vind het bovendien wel erg makkelijk om te zeggen dat Wilders niet verantwoordelijk is voor het feit dat zijn film levensbedreigende gevolgen heeft. Natuurlijk zijn degenen die burgers met de dood bedreigen daar ten volle voor verantwoordelijk en heeft Wilders daar in principe niets mee te maken, maar dat ontslaat hem niet van zijn verantwoordelijkheid te bepalen wat hij nu met deze kennis gaat doen. Vrije meningsuiting, doodsbedreigingen en heldendom, we lusten er tegenwoordig pap van, maar het zou mooi zijn als de held in kwestie iets wezenlijks te melden heeft.
Tot slot: je zegt: “alleen door zo precies en objectief mogelijk de grens te trekken tussen woorden en daden kan de eerste categorie beschermd worden”. Klopt, maar waarom zou je de eerste categorie nog willen beschermen als de consequentie van het onderscheid dat je maakt er op neer komt dat woorden loos zijn? Dan kan je ze net zo goed verbieden! Juist door zo’n onderscheid te maken blaas je volgens mij het beginsel van vrije meningsuiting volledig op en geef je tegenstanders van het vrije woord een prachtig argument in handen om woorden, die immers toch niks te betekenen hebben, te censureren als dat toevallig beter uitkomt.
Dat die film van Wilders niets toevoegt aan het debat is jouw persoonlijke mening, en verder irrelevant. Wie ben jij immers om te bepalen wat wel of niet iets toevoegt aan het debat en op basis van welke criteria?
Jouw verhaal is het zoveelste in het rijtje van betogen dat gaat over de toon van het debat ipv de inhoud, en daarom vind ik het ongeloofwaardig dat je bijvoorbeeld Ellian of Wilders aanvalt op herhaling. Kern van Wilders zijn visie is dat er iets mis is met de Islam, kern van de visie van zijn tegenstanders is dat dit niet waar is maar slechts enkelen de Islam misbruiken. Over deze verschillende visie zouden beide partijen in debat moeten gaan, de rest is allemaal ruis. De nieuwste afleidings manoeuvre is dat Wilders niet in debat wil gaan. Maar laten we eerlijk zijn, willen zijn tegenstanders eigenlijk wel in debat gaan met hem? Je kunt op je vingers natellen dat zodra Wilders op TV of met publiek in debat zou gaan, de inhoud overstemt zal worden door beschuldigingen dat hij een racist of fascist is. Zo is het met Hirsi Ali gegaan, en zo zal het met Wilders gaan, ik geef ze geen ongelijk om dit soort ‘debat’ te mijden.
Een inhoudelijk debat gaat over de Islam en niets anders, en ik vind dat tot nu toe Hirsi Ali, Wilders en Ellian hierin een stuk inhoudelijker zijn dan hun tegenstanders.
L.S.,
Disclosure: Qua achtergrond ben ik o.a. jurist. Laat me daarom maar beginnen met mijn meest juridische opmerking.
Het verschil tussen demonstraties en de film van meneer Wilders is er een van causatie. (Vlg. art. 6:98 BW) Naarmate het causale verband tussen de meningsuiting in kwestie en de potentiële schade voor derden sterker is, ligt ingrijpen van de rechter eerder voor de hand. De schade die mogelijk door de film van meneer Wilders veroorzaakt zou kunnen worden is speculatiever en meer afhankelijk van handelingen van derden. (In juristenlatijn heet zoiets een novus actus interveniens.) Daarom is een rechterlijk verbod wel mogelijk, maar ligt dat minder voor de hand dan in het geval van een demonstratie.
Verder heb ik met je onderscheid in het juridische en het filosofische perspectief wat moeite, omdat het de deontologische (?) benadering die bij dit soort kwesties het uitgangspunt moet zijn wat lijkt te verdoezelen. Binnen het recht behoeven grondrechten geen verdere rechtvaardiging: recht is recht en onrecht is krom. Dat hangt niet af van wat er gezegd wordt, of waarom, behalve op die plekken waar het recht de grens van het grondrecht trekt. Kosten/baten analyses volgen dus pas als eenmaal is vastgesteld dat we ons in de buurt van zo’n grens bevinden, en degene die zo’n analyse wil uitvoeren, moet eerst aantonen dat dat überhaupt aan de orde is.
Dat is ook de juiste volgorde. Juist door in het algemeen over de relatieve waarde van verschillende meningsuitingen te “filosoferen”, wordt het recht op vrije meningsuiting ondermijnd. Het verschil tussen woorden en daden is niet gebaseerd op het “sticks and stones” beginsel, maar op het algemene idee dat verbale meningsverschillen verbaal moeten worden uitgevochten, terwijl voor daden eerder andere grondrechten in het geding zijn. Woorden, en met name meningen, worden in principe beschermd ongeacht hoe weinig “waarde” ze misschien hebben; ik zie niet in hoe dat de vijanden van het vrije woord een argument zou geven om, als dat zo uitkomt, te censureren.
Eric, dat meneer Wilders een onschuldig wit lammetje zou zijn die door linkse wolven verscheurd dreigt te worden, gaat me iets te ver.
Je beschrijving van de twee tegengestelde visies klopt. Hoe denk je dat de discussie met Wilders in dat kader op zakelijke toon gevoerd zou moeten worden? Gewoon daar naar de feiten te verwijzen? Maar beide partijen zitten er nu juist mee dat ze het over de feiten niet eens kunnen worden.
Naturlijk is mijn mening subjectief. Welke niet? Subjectiviteit ie een dooddoener. Mijn punt is: heb jij ooit een nieuw inzicht van meneer Wilders in het debat gehoord? Is de film volgens jou geen provocatie, maar gewoon de voortzetting van een inhoudelijk gevoerd debat? Blijkt uit meneer Wilders’ opstelling in het verleden dat hij vraagt om zo’n debat? Niemand heeft de film gezien. We zullen dus moeten afwachten. Maar heb jij enig idee wat de film aan nieuwe inzichten zou kunnen opleveren? Neem je eigen reactie hierboven: je weet precies wat de inzet van de discussie is. Als je dat zo goed weet, wat verwacht je dan extra te weten te komen van de film van meneer Wilders? En is een dergelijke zakelijke voortzetting van het debat die commotie waard?
Wat de kwestie van vorm en inhoud betreft, ik denk dat in vorm en inhoud, zeker in debatten als deze, onvermijdelijk en onontwarbaar door elkaar lopen. Als je in dit debat van de vorm geen zaak maakt ontgaat je de helft van de inhoud.
Martinned: touché, geef me even bedenktijd. Heel kort: ik vind het, nogmaals, iets te makkelijk om te zeggen dat verbale meningsverschillen verbaal moeten worden uitgevochten. Het onderscheid tussen verbaal en non-verbaal is nu juist de kwestie waar het om gaat. Taal die in de buurt van haatuitingen, smaad, laster en belediging komt benadert de grens van het toelaatbare, omdat de overgang van woord naar daad op zulke momenten steeds kleiner wordt. Toch? Ik bedoel, het moet toch mogelijk zijn de inhoud van het recht op vrije meninsuiting zo uit te leggen, dat duidelijk wordt welk domein dat recht bestrijkt, waar het minder belangrijk wordt en wanneer dat recht op grenzen stuit en/of met andere rechten in conflict komt. Waar het me om ging is dat woorden kunnen schaden. Stel dat dit zo is, hoe betrek je dat op de kwestie van vrije meningsuiting. Hoe pas je in dat geval het beginsel van vrije meningsuiting toe op bijzondere gevallen?
Dat demonstraties geweld uitlokken, terwijl de link tussen de film van meneer Wilders en het geweld dat er op volgt speculatief is, begrijp ik eerlijk gezegd niet zo goed. Als je Balkenende moet geloven, heeft hij een aardig beeld van wat er aan mogelijk geweld op ons af komt. Begrijp me goed, ik ben vóór demonstraties en voor het vertonen van de film van meneer Wilders, maar ik ben tegen het idee dat de gevolgen van de film niet op dezelfde wijze voorzien kunnen worden als de gevolgen van een demonstratie. Tot slot: genuanceerde kosten/baten analyses zijn onvermijdelijk, omdat geen enkel recht absoluut geldt. Ik ben tegen al te makkelijke instrumentaliseringen van rechten, maar uiteindelijk zijn rechten er ter bescherming van de waardigheid van de mens, en niet omgekeerd. Zodra rechten met elkaar in conflict komen zal je duidelijk moeten maken welke prijs er moet worden betaald en waarom.
L.S.,
@Pieter Pekelharing: Ik wacht je verdere gedachten af. In de tussentijd:
Waar grondrechten in conflict komen, moet een afweging worden gemaakt. Maar of de mogelijkheid dat er in Pakistan of waar dan ook een Nederlandse ambassade in de brand wordt gestoken een conflict van grondrechten oplevert, lijkt me te betwijfelen. Meer in algemene zin zijn de verwachte problemen speculatiever dan de problemen bij demonstraties uit jouw voorbeeld, omdat we niet weten in welke landen er problemen zullen zijn, of de regeringen van die landen daar iets aan zullen doen, welke Nederlandse burgers problemen zullen ondervinden, etc. Wat mij betreft is in deze casus vooral het handelen van buitenlandse regeringen, die vaak de onlusten aanwakkeren terwijl ze eigenlijk in tegengestelde richting zouden moeten ingrijpen, een belangrijke nieuwe causale factor.
Smaad en laster is een andere categorie. Dat zijn geen meningsuitingen, maar (onjuiste) beweringen mbt feiten. Wat mij betreft mag sowieso wel wat preciezer gekeken worden naar het verschil tussen meningen en feiten.
Op die manier is een bedreiging ook geen meningsuiting. Het is een bewering over een toekomstige daad. Alleen al om die reden vallen bedreigingen niet onder de vrijheid van meningsuiting. Bovendien lijkt me dit een klassiek voorbeeld van een grens die volkomen terecht door de wetgever is getrokken.
Haatuitingen zijn wel meningsuitingen, en dus in principe beschermd. Ze komen ook al gauw in de buurt van het hart van de vrijheid van meningsuiting, dus wat mij betreft zouden ze beschermd moeten zijn tenzij er bijna geen sprake meer is van een novus actus interveniens, met andere woorden als het verband tussen de uiting en een daad zo sterk is dat daar causaal bijna geen speld tussen te krijgen is. (Bij voorbeeld als die haatuiting de vorm aanneemt van een oproep van geweld, en zelfs dan nog als het verband erg sterk is, zoals in de Rushdie zaak.)
Martinned
Ik blijf dat gedoe over wat speculatief is en wat niet vreemd vinden. Dat demonstraties uit de hand kunnen lopen weten we. En wel op grond van ervaringen die we eerder met demonstraties (desnoods gespecificeerd naar soort) hebben opgedaan. Neem nu de cartoon-affaires in Denemarken en Frankrijk. Die zijn flink uit de hand gelopen. En nu zou het speculatief zijn om aan te nemen dat de vertoning van de film van meneer Wilders ongeveer op dezelfde manier uit de hand loopt? Ik kan dat niet bevatten. Ik blijf van mening dat je de anticipatie op demonstraties en op de film van meneer Wilders symmetrisch moet behandelen. Maar zand erover, want ik denkt niet dat we het hierover eens kunnen worden.
Nu een paar opmerkingen:
Ik ben het van harte met je eens dat meningsvrijheid over meningen gaat. En dat niet alle verbale uitingen meningen zijn. Hoe minder ‘mening’ er in de verbale uiting zit, hoe minder reden er is de uiting in kwestie onder meningsvrijheid te laten vallen. Meningsvrijheid is ontworpen om meningen en niet om ‘verbale uitingen’ te beschermen.
Tweede opmerking: ik blijf er bij dat er geen duidelijke en veilige lijn te trekken valt tussen woorden en daden. Als dat zo is moeten we een verhaal hebben over waarom we uitingen dulden die, bedoeld of onbedoeld, kleinerend, kwetsend of vernederend zijn. Wie beweert dat woorden (of beelden) geen pijn kunnen doen, beledigt degenen die de kosten (of beelden) van die woorden moeten dragen.
Bovendien zijn er ook financiële kosten: bijvoorbeeld het schoonvegen van straten na demonstraties, het zorgen voor politiebescherming, omleidingen van het verkeer, het in ziekenhuizen verzorgen van de gewonden en het opvangen van getraumatiseerden. Het is, kortom, verkeerd te denken dat meningsvrijheid niets kost. Dat geldt zeker voor meningsvrijheid op straat. De straat is de plek die overblijft als je geen toegangt tot de media hebt. Financieel gesproken kost meningsvrijheid op straat meer dan meningsvrijheid in de media. Maar van tweeën één: als meningsvrijheid stringent beschermd moet worden, dan ook op staat.
Wat botsing van grondrechten betreft: aan de ene kant is er het streven naar vrijheid van meningsuiting, aan de andere kant is er het streven, iedereen ongeacht huidskleur, geloof of sekse gelijk te behandelen. De waarde van de vrijheid van meningsuiting kan soms op gespannen voet staan met de waarde van gelijkheid.
Derde opmerking: wat een ‘mening’ is, is natuurlijk betwistbaar. Daar kunnen mensen op redelijke wijze over van mening verschillen Zoals je te kennen geeft, ook in haatuitingen kunnen meningen verpakt zijn. Daarom gaat het om twijfelgevallen. Idem dito voor smaad en laster. Want ook in onjuiste beweringen mbt feiten kunnen meningen verpakt zijn en ook daar moeten we dus voorzichting in verbieden zijn. Hoe meer de haatuiting in de prive-sfeer, bv op het werk, wordt gemaakt, hoe meer reden je als individu hebt om naar de rechter te lopen. Als de haat echter in de publieke ruimte jegens groepen wordt uitgesproken (bv tijdens demonstraties), is er meer reden de haatuiting in het kader van de vrije meningstuing te beschermen -omdat het hier om politieke uitspraken gaat, die informatie bevatten die iedereen als burger moet weten en waar iedereen ook zelf over moet kunnen beoordelen (en je kan daar niet over oordelen als de informatie wordt achtergehouden). Het wezenlijke domein waar het recht van vrije meningsuiting op van toepassing is, is het politieke domein. Misleidende reclame valt daar dan ook niet onder.
Nodig is:
1. Een idee van welke belangen beschermd worden door een systeem van vrije meningsuiting
2. Een verhaal over de kosten die zo’n systeem met zich brengt
3. Een verhaal over de nogal sterke drang van mensen meningsvrijheid te verbieden als ze daartoe de macht hebben, waardoor stringente bescherming van dat recht noodzakelijk is
Mbt 1 Er worden drie fundamentele, cultuur- en religieoverschrijdende belangen door het recht op vrije meningsuting beschermd: de vrijheid van zelfexpressie (je mening, je gevoelens, wie je bent, waar je vandaan komt, waar je je bezorgd over maakt), de vrijheid je een eigen oordeel te vormen, en de vrijheid dat op basis van (symmetrisch) beschikbare informatie te doen
Mbt 2 In veel gevallen kunnen de kosten van vrije meningsuiting het best door middel van meer discussie en meer vrije meningsuiting worden bestreden (althans de niet-financiele kosten). Dat geeft ook verantwoordelijkheden: hoe helpen we degenen die monddood dreigen te worden gemaakt aan het woord?
Mbt 3.Gezien de aard van veel mensen is het goed van vrije meningsuiting een goed dat altijd wordt bedreigd; vandaar dat stringente bescherming noodzakelijk is.
Kortom, bescherming van het recht op vrije meningsuiting:
1. Helpt een drietal fundamentele belangen te beschermen en te bevorderen
2.Zorgt ervoor dat discussie in veel gevallen het beste middel vormt om de kosten van de vrijheid van meningsuiting te bestrijden en
3.Vormt een buffer tegen de menselijke neiging de vrijheid van meningsuiting aan banden te willen leggen.
Er valt nog veel meer over te zeggen, maar kunnen we het hier eens over worden?
L.S.,
Reactie van achter naar voren (per paragraaf):
Met je opmerkingen onder (2x) drie punten ben ik het volledig eens, mits maar in het achterhoofd wordt gehouden dat er een gebied is rondom het hart van de vrijheid van meningsuiting waar de kosten irrelevant zijn. Waar deze vrijheid haar centrale functie vervult, ie. in het publieke en politieke discours, draagt de samenleving de kosten hiervan zonder dat een (vorm van) kosten/batenanalyse op z’n plaats is.
Smaad en laster is per definitie geen mening. Daar trekt het recht een zo strak mogelijke lijn tussen meningen, die grondwettelijk beschermd worden, en onjuiste feitelijke beweringen die geen bescherming hebben. Vgl. Europese Hof voor de Rechten van de Mens, in Lingens tegen Oostenrijk: “In the Court’s view, a careful distinction needs to be made between facts and value-judgments. The existence of facts can be demonstrated, whereas the truth of value-judgments is not susceptible of proof. The Court notes in this connection that the facts on which Mr. Lingens founded his value-judgment were undisputed, as was also his good faith.”
Wat betreft haatuitingen schat ik in dat ons verschil van mening berust op onderliggende waarden. Ik ben wat libertairder van inslag en vind dus dat vrij veel moet kunnen.
Misleidende reclame gaat uiteraard ook niet om meningen, en ook hier is het een kwestie van het schrijven van een goede wet en van voortschrijdend inzicht via jurisprudentie om een goede grens te trekken.
Het discriminatieverbod van art. 1 GW is wat vreemd geformuleerd. Anders dan de tekst suggereert, is het in de eerste plaats een bevel aan de overheid. Wat mij betreft (en wat de wet betreft) mag meneer Wilders danook zo veel discrimineren als hij maar wil. Hier is dan ook geen sprake van botsing van grondrechten. (Eventuele horizontale werking daargelaten. Horizontale werking is een subtiel probleem en in het Nederlandse denken over grondrechten een wat vreemde figuur.)
Over de grens tussen woorden en daden: Ik ben het met je eens dat die grens moeilijk te trekken is. Al was het alleen maar omdat bepaalde daden ook een meningsuiting vormen. (eg. het verbranden van de vlag.) Natuurlijk kunnen woorden pijn doen, kwetsen. Het punt is alleen dat voor echte meningsuitingen de belangenafweging, de “shades of grey”, per definitie is uitgesloten, ten gunste van een “bright line rule”, een zwart-wit regime waar de kosten van de meningsuiting, de schade die de meningsuiting veroorzaakt, expres niet worden meegenomen in de afweging of de uiting toelaatbaar is. (Zoals altijd is de uitzondering de botsing van grondrechten.) De reden hiervoor is dat bright line rules duidelijkheid geven, een objectieve beoordeling mogelijk maken zodat het recht om je mening te uiten zonder voorafgaande toestemming van wie dan ook daadwerkelijk gerealiseerd kan worden. Als we een uitzondering zouden maken voor kwetsende mening, wordt mijn vrijheid van meningsuiting opeens afhankelijk van de toestemming van een ander. (i.c. de persoon die eventueel gekwetst zou kunnen zijn).
Ten slotte nog de puur juridische inschatting van de mogelijkheid en wenselijkheid van juridische verboden op bij voorbeeld de film van meneer Wilders. Dit is een juridisch-technisch probleem waar ik wat opmerkingen heb gemaakt over het (ook voor juristen) nogal lastige probleem van causatie. (Er is geen Nederlands wikipedia lemma over dit onderwerp, vandaar de link naar de Engelse versie.) Zoals ik hierboven in deze comment ook al zei, is er in het geval van de film van meneer Wilders wat mij betreft sprake van een aantal “intermediate causes” die bij een mogelijk gewelddadige demonstratie ontbreken, met name de rol van buitenlandse regeringen. Volgens mij staat deze kwestie overigens los van de rest van het verhaal, dus laat maar zitten…
Jongens, leestip.
In ‘Kritik und Krise’ (151 pp., Suhrkamp Taschenbuch) heeft Reinhart Koselleck het over een soortgelijke paradox aan de vrijheid van meningsuiting, die hij de ‘Hypokrisie der Aufklärung’ noemt. Daarmee bedoelt hij dat je onder het mom van gewetensvrijheid je mening uit en politieke invloed uitoefent, zonder daar rekenschap over te willen geven. Volgens hem bestaat er in de moderne wereld een scheiding tussen ethiek en staatsraison, die in zijn meest extreme vorm leidt tot paradoxen als dat Robespierre een tegenstander was van de doodstraf.
Niet dat ik het eens ben met Koselleck’s conservatieve Verlichtingskritiek, maar zijn analyse van de ontwikkeling van de moderne staat waarin je wel denken wat je wilt maar niet doen wat je wilt is na vijftig jaar nog uitstekend leesbaar.
L.S.,
@Floris: Ik neem aan dat je bedoelt te betogen dat er een verschil is tussen de regels waaraan je vindt dat men zichzelf zou moeten houden en de regels waarvan je het acceptabel vindt dat we elkaar eraan houden, of waarvan het acceptabel zou zijn als de overheid ons eraan zou houden.
(Oef, daar wordt het ook niet echt duidelijker van, maar volgens mij staat het er wel. In het engels: rules people should have for themselves vs. rules people can have for each other.)
Als jurist ben ik natuurlijk geneigd alles in termen van rechters en wetten te analyseren, dat is waar.
Martinned
Prettig, we zijn het in grote lijnen eens. Bedankt voor je commentaar!
@ Martinned,
Klopt, maar daar zit wel de paradox in dat je mag vinden wat je wilt maar niet doen wat wilt, terwijl je vindt dat je iets zou moeten doen.
Het probleem van het scheiden van meningen en handelingen is dat het meningsvrijheid trivialiseert: het is ‘maar’ een mening. En tegelijkertijd heilig verklaart, als de basis van een vrije samenleving. Dat maakt het soort van hypocrisie mogelijk, waarmee je jezelf met een beroep op de vrijheid van meningsuiting buiten de kritiek plaatst.
(Zo zou je bijvoorbeeld Ayaan, die zich zo graag met Voltaire vergelijkt, Koselleck’s ‘Hypokrisie der Aufklärung’ kunnen verwijten.)
Met een knipoog naar Pieter, er is een cartoon van Jos Collignon:
‘Laten we God en Allah voortaan “Onzin” noemen, dan zijn we het écht allemaal eens’.
Dominee: ‘Ik geloof in Onzin’
Imam: ‘Ik geloof ook in Onzin’
Rabbi: ‘Maar dan geloof ik ook in Onzin’
Priester: ‘Mijn Onzin is het grootst’
Voorganger: ‘Luistert naar mijn Onzin’
‘Voilà! Alle problemen de wereld uit.’
Als woorden ook daden zijn, zoals Wittgenstein zegt, is er geen scherpe scheiding tussen beide mogelijk, en kunnen woorden net als daden hard aankomen en pijn doen. Maar of ze evenveel pijn doen, dus ‘even erg’ zijn, zoals Pieter Pekelharing stelt, waag ik te betwijfelen. Het spectrum dat voert van vredige woorden naar (geweld)daden is nogal breed, er zijn grote verschillen in de mate waarin woorden zijn geladen met symbolisch geweld. Bovendien is er het probleem van de interpretatie. Ik ben zelf nogal gevoelig voor de sluipende gewelddadigheid van woorden waarmee mensen worden uitgesloten van bepaalde groepen waar ze menen bij te horen. Maar ik merk ook dat anderen ongevoeliger zijn op dit punt, en zonder er bij na te denken mensen met hun woorden kunnen vernederen.
Een klein maar irritant voorbeeld uit mijn vroeger academische bestaan. Omdat ik niet overtuigd was van de waardevrijheid van de sociologie, en sociale wetenschap en politiek met elkaar verbond, zeiden voormalige collega-sociologen wel eens tegen me dat ik ‘geen echte’ socioloog was. Ik geef toe, het is niet zo heftig als door je mede-moslims voor ‘onechte moslim’ te woren uitgemaakt, maar het ligt wel in elkaars verlengde. Ik werd er altijd kwaad van, want het raakte me in mijn identiteit.
Mijn punt is: als je zoals Pieter P. verbaal en fysiek geweld vrijwel aan elkaar gelijk stelt, kom je in de buurt van Mohammed Bouyeri, die in zijn beruchte Brief aan Ayaan Hirsi Ali geen enkel onderscheid maakt tussen het fysieke terrorisme van hemzelf en wat hij het ‘intellectuele terrorisme’ van Hirsi Ali noemt. Voor Bouyeri c.s. is het volstrekt legitiem om verbaal geweld te counteren met fysiek geweld, omdat het eerste onmiddellijk wordt aangevoeld als een variant van het tweede.
Die gelijkstelling is ten diepste strijdig met het ethos van wat ik beschouw als onze democratie. Daarin is het onaanvaardbaar dat discussies worden beslecht door geweld. Binnen die grens mag in principe alles worden gezegd. Dus we moeten altijd onderscheid blijven maken tussen verbaal en fysiek geweld, het tweede uitbannen en het eerste zo goed mogelijk leren uithouden. De democratie moet dus zowel onze gevoeligheid voor verbaal geweld verhogen, om te signaleren wanneer mensen met woorden worden vernederd. Maar tegelijkertijd moet zij de ongevoeligheid ervoor vergroten, zodat we beledigende en kwetsende woorden beter kunnen uithouden. Dat lijkt met elkaar in tegenspraak, maar is het volgens mij niet.
Tja, hoe klein en toch cruciaal een verschil van mening kan zijn. Eerst een heel eind meegaan in het betoog en vervolgens, bam, me met Mohammed Bouyeri gelijk stellen! Het is maar dat je weet hoeveel pijn woorden kunnen doen. En dat ook nog in naam van een geloofsbekentenis, waar verder geen enkel argument voor wordt gegeven.
Letterlijk vermoord en figuurlijk vermoord worden: daar is een groot verschil tussen en in zovere zijn woorden geen daden. Maar ik vind het - en daar draaide mijn hele betoog om - nogal zot om meningsvrijheid te verdedigen onder het motto dat woorden geen pijn doen, omdat het toch maar woorden zijn. Ik ben net zo’n fervent voorstander van vrije meningsuitng als jij, maar ik meen dat je die meningsvrijheid niet moet verdedigen zoals leden van een sekte hun geloof verdedigen. We nebben zeloten genoeg in de wereld. Daar is vrije meningsuiting me net te veel waard voor.
L.S.,
OK, nog één poging om iets van structuur in het probleem aan te brengen:
Zoals in voorgaande opmerkingen gesteld, wordt voor grote categoriën uitingen de “pijn”, ofte wel de “kosten” irrelevant verklaard, op basis van de gedachte dat het toelaten van zo’n afweging in alle omstandigheden de werking van de vrijheid ondermijnt. (Zie dus hierboven voor een langere en genuanceerdere versie van dit punt, met argumenten.)
Voor zover ik kan overzien is deze benadering gestoeld op de gedachte niet dat woorden minder belangrijk zijn dan daden, dat ze “niks te betekenen hebben”, maar in plaats daarvan op de gedachte dat ze a) toch echt veel minder “pijn doen” dan daden, door de bank genomen, en b) dat de waarde van een “free and fair exchange of ideas” structureel anders is en groter is dan de waarde van een bepaalde vrijheid van handelen.
Met andere woorden, als klassen tegenover elkaar geplaatst, zijn voor woorden/meningen de kosten lager en de voordelen groter dan voor daden.
Martinned, ik denk het met je eens te zijn, maar weet het nog niet zeker. Ik zal uitleggen waarom. Ik denk dat het beroep op ‘grote categorieën’ niet werkt, omdat je dan ook het bestaan van ‘kleine’ categorieen erkent en dat gaat sommigen, zie Dicks crie de coeur hierboven, te ver, omdat je je dan op een hellend vlak begeeft en allerlei vormen van voorwaardelijkheid inbouwt die het beginsel van vrije meningsuiting van zijn heilige onvoorwaardelijkheid ontdoen.
Ik denk helaas dat het onderscheid tussen ‘niks te betekenen hebben’ en ‘echt veel minder pijn dan daden’ evenmin helpt, omdat je dan de deur open gooit naar degenen die metterdaad aantonen dat ze nog liever 25 jaar cel krijgen dan de pijn van beledigingen (van hun geloof) te verdragen -daarmee te kennen gevend dat de kosten van 25 cel voor hen minder erg zijn dan de pijn of vernedering die hen door het woord is aangedaan. Ik vermoed dat er sommigen zijn die dat ook ‘in a cool hour’ nog zullen beamen. Hoe de pijnbalans uitvalt kan voor verschillende mensen simpelweg verschillend uitvallen. Ik heb het idee dat woorden pijn doen niet geïntroducered om een opening naar dit soort afwegingen te maken, maar om duidelijk te maken hoe moeilijk het is meningsvrijheid te verdedigen met het argument dat woorden geen pijn of maar een beetje pijn doen. Dat is een belediging aan het adres van diegenen voor wie dat wel zo is.
De kunst is dan ook uit te leggen waarom je (bedoelde dan wel onbedoelde) beledigingen moet verdragen, ook in het geval ze je bloed doen koken - en helaas is dat een vrij reflexief verhaal over de cultuur- en religieoverschrijdende betekenis van de vrijheid van het gesproken woord en van ‘free en fair exchanges’. En dan denk ik dat je opnieuw bij de belangen uitkomt die ik hierboven al genoemd heb en waarover we het eens waren.
Kijk, je kunt zoals Dick de meningsvrijheid wel heilig verklaren, maar dan verklaar jezelf tot lid van de sekte van heiligverklaarders van de virje meningsuitng. En helaas zijn er veel mensen die ook na enig nadenken geen lid van die sekte willen worden. Daar heb je dus niet zo veel aan. Tenzij je natuurlijk de macht in handen hebt om dat beginsel met harde en zachte hand op te leggen. Maar erg stabiel is zo’n toestand niet. Met een ‘zwak’ voor meningsvrijheid kom je er ook niet, want er zijn helaas mensen die daar helemaal geen zwak voor hebben en dat beginsel gewooon als een truc van de machtigen beschouwen om de zwakkeren niet alleen te onderdrukken, maar hen ook nog eens te kleineren en te beledigen. Bovendien, wie alleen maar een zwak voor meningsvrijheid heeft, kan dat beginsel ook zo weer afschaffen.
Over de hoofden heen van de sektes voor en tegen zal je moeten uitleggen wat de waarde is van vrije meningstuing -en nogmaals, dan heeft het weinig zin tegen degenen die woedend zijn te zeggen dat ze toch echt zouden moeten moeten begrijpen dat woorden minder pijn doen, want klaarblijkelijk is dat voor hen niet zo.
Kortom, ik denk dat het ontkennen van pijn niet werkt, ik denk het aanbrengen van gradaties van pijn ook niet werkt en ik denk dat het bevel aan anderen om dan maar eelt te vormen en te verdragen al helmaal niet werkt. Ik blijf dus bij mijn mening dat het pijnverdisconterede verhaal over het waarom van meningsvrijheid en de cultuur- of religieoverschrijdende betekenis van de belangen die daarmee worden gediend beter werkt. Mensen verliezen eenvoudig hun menselijke waardigheid als ze de vrijheid verliezen hun mening te uiten. Paul Scheffer heeft gelijk: ‘ik zal jou vrijheid van religie verdedigen als jij mijn vrijheid die te bekritiseren verdedigt’. Juist voor degen die zich door het woord van hun waarde beroofd weten is het belangrijk dat aspect in herinering te houden. Dat is beter dan zeggen ’stommerd, had je maar meer eelt op je ziel moeten hebben’.
Een tot dusver onopgemerkte paradox in de Wilders-debatten: juist de partij/de man die de bescherming van de Nederlandse waarden zo voorstaat, en voor wie in die queeste vrijwel niets te ver gaat, schendt die waarden bij voortduring. Het gaat dan onder meer om: de bereidheid te debatteren; verdraagzaam te zijn of tolerant; niemand vanwege religieuze (of sexuele of huidskleurige) geaardheid te discrimineren.
De samenleving die de partij van Wilders op deze manier impliciet voorstaat, lijkt als 2 druppels water op de primitieve samenleving die zij zo zegt te vrezen.
Met een radicalistisch beroep op de vrijheid van meningsuiting propageert Wilders een orde waarin juist dat recht en de fundamenten ervan niet meer worden gerespecteerd. Daarmee misbruikt hij, net als sommige van zijn ‘vijanden’, de vrijheden die de Nederlandse democratische rechtsorde hem bieden, om die orde zelf om zeep te helpen.