Gaat de elite ons redden?
donderdag 7 februari 2008 door Pieter Pekelharing
Vlak voor het nieuwe jaar plofte er een boek door de brievenbus: Gaat de elite ons redden?, een bundel, samengesteld door Krijn van Beek en Marcel Ham (Van Gennep 2007). Het is een hilarisch werk. Het begint er al mee dat niemand van de auteurs precies weet waar de elite zit. Ieder heeft zo z’n eigen vermoedens. De een denkt bij elites aan de notoire veelverdiener, de ander aan paternalistische bureaucraten en weer aan ander zoekt de elite onder de leden van tanende old boys netwerken. Kortom, de elite is overal en nergens. Met het gevolg dat de auteurs in de bundel vooral de gelegenheid krijgen stokpaardjes te berijden. Paul Cliteur mag z’n woede botvieren op het feit dat hij onvoldoende tegen het terrorisme wordt beschermd. Paul Frissen gaat weer eens te keer tegen de verzorgingsstaat en ziet overal spoken van normalisering en disciplinering. Ringo Ossewaarde scheldt eerst de elite uit die de verzorgingsstaat creëerde en vervolgens de elite die haar afbrak. Terwijl Ewald Engelen zich zuchtend bij het fenomeen topinkomens neerlegt en voor de zoveelste keer beweert dat we er echt niets aan kunnen doen. De ene auteur vindt de elite paternalistisch, de ander vindt haar juist lankmoedig en allemaal smeken ze om machthebbers die het goede voorbeeld geven. Engelen hoopt dat de veelverdieners zich grootmoedig zullen opstellen. Ossewaarde betreurt het verlies van socratische deugden, die de elite in een ver verleden ooit scheen te bezitten. Allemaal zijn ze tegen morele prietpraat, terwijl ze er intussen lustig op los moraliseren.
Deze bundel is geschreven door veertien mannen en drie vrouwen. Het zijn de mannen die het ‘t bontst maken. De verwachtingen die ze van de nieuwe elite koesteren is één grote jongensdroom. Ga naar Harry Potter en the Lord of the rings en je weet wat de auteurs zo ongeveer bezielt. De nieuwe heerser bezit geen macht of gezag, hij inspireert. Hij is creatief, socratisch, grootmoedig en stelt zich dapper op in de strijd tegen het terrorisme. Of zoals het in de nieuwe managementliteratuur heet: share the dream, give them the tools and get out of the way. De nieuwe leider heerst niet meer, hij empowert. En of dat tot grotere ongelijkheid of sociale onrechtvaardigheid leidt doet er niet toe.
Geen wonder dat de elite voor verschillende auteurs in dit boek onvindbaar is. Degenen die aan dit hoogstaande ideaal voldoen zijn immers op de vingers van één hand te tellen. Op zich is die onvindbaarheid eigenaardig, want de meeste auteurs van deze bundel zijn hoog opgeleid, hebben een vaste baan, een goed inkomen en zijn excellente netwerkers. Dat zijn toch goede criteria voor een elite? Waarom hebben ze het niet gewoon over zichzelf? Waarschijnlijk omdat het typerend voor moderne elites is, dat ze niet bij de elite willen horen. In dat opzicht zit de ideologie van de jaren zestig er bij iedereen nog steeds goed in. ‘De elite is gedemocratiseerd’, zegt iemand ergens in de bundel, maar hij vergeet erbij te vermelden of dit als ideaal, als feit of als ideologie is bedoeld. Ideologisch gesproken horen moderne elites in ieder geval eerst te verdwijnen alvorens ze macht kunnen uitoefenen.
Volgens de auteurs van deze bundel zijn we eigenlijk allemaal gelijk, al zijn sommigen het een beetje meer dan anderen. Haal de verticale machtsuitoefening weg, maak een eind aan dat vermaledijde paternalisme, aldus Paul Frissen, en het feest van de verschillen tussen gelijken kan beginnen. Zorg voor grootmoedigheid, aldus Engelen, en de machtsongelijkheid tussen veelverdieners en modale verdieners zal geen nare effecten meer sorteren.
Geheel conform de ideologie van de jaren zestig staat verticale macht in deze bundel voor alles wat slecht is. Wie onpersoonlijke, verticale gezagsverhoudingen wil, wie voor meer inkomensgelijkheid en ouderwetse zorg is, is burgerlijk, kleinzielig, normaliserend, disciplinerend, irrealistisch, bureaucratisch en verstikkend. Je hoort niet bij de moderne elite als je niet voortdurend tegen dit soort verticale machtsuitoefening rebelleert. Macht, zo luidt de boodschap in dit boek, moet weer persoonlijk worden. Men wil governance in plaats van government, coaches in plaats van leiders. Deze bundel richt zich niet alleen hoopvol op een reddende elite, ze zingt de zwanenzang van de verzorgingsstaat. Het is het hilarische verslag van een jongensdroom die hopelijk geen nachtmerrie wordt.
Helemaal mee eens. Wat me alleen niet duidelijk wordt uit deze bespreking (en dat zal wel aan de bundel liggen) is waar we nou zo nodig gered van moeten worden.
Ik denk zo’n beetje alles wat er mis is sinds velen van ons van oordeel zijn dat de dienstverlening van de verzorginsstaat faalt en niet tegen de problemen en het tempo van verandering in deze tijd is opgewassen: het gebrek aan cohesie, problemen in de zorg en het onderwijs, economische groei die zich niet in welzijn vertaalt, enzovoort. Zelf denken de auteurs aan het volgende: “het emanciperen van de onderklasse, meer talent benutten in het onderwijs, een geïntegreerde samenleving, fatsoenlijke omgansvormen, bestrijding van radicalisme, meer duurzaamheid of gewoon geluk (..) Het zijn problemen die in brede lagen van de bevolking worden gevoeld, en die schreeuwen om een aanpak. Het zijn eveneens problemen waarop de verzorginsstaat zoals wij die kenden het antwoord schuldig bleef en waarvoor we nu reikhalzend uitkijken naar nieuw redders.”(14) Kortom, de elite moet de haperende instituties van de verzorginsstaat opvangen.
@ Piet Pekelharing “de elite moet…”
* Pardon, kennen wij u? De elite moet helemaal niets. Daar is het nou juist een elite voor.
* De verzorgingsstaat was het antwoord op een elite die uit zichzelf niks meer deed. Dus hoppetee, progressief belasting heffen en de verzorgingsfuncties centraliseren in de staat.
* Nu de staat kapot dreigt te gaan aan represailles van de nieuwe elite (die Den Haag het snot voor de ogen koerst) is wel de grootste mop om uitgerekend daar nu redding van te verwachten.
* Het project van de sociaal-democratie, ‘breidelen van het kapitaal’, is in politieke zin mislukt. Maar gebreideld wordt er heus wel. Fijnstof, CO2, methaan, zeeniveau…. kalmte kan je redden.
@ Bernhard Bang:
Lees het nog een keer.
L.S.,
Waarom hebben ze het niet gewoon over zichzelf? Waarschijnlijk omdat het typerend voor moderne elites is, dat ze niet bij de elite willen horen.
Dat lijkt me een goede diagnose. We kunnen inderdaad wel wat meer elite gebruiken in dit land, zeker voor zover dat betekent dat politici (en andere opinion leaders) ideeën hebben die ze aan de bevolking proberen te verkopen, in plaats van te proberen het volk te paaien door ze zoveel mogelijk te geven waar ze om vragen. Maar meer elite betekent allereerst meer zelfbewustzijn; meer elite begint ermee dat mensen die tot de elite behoren, dat toegeven, zo nodig van de daken schreeuwen…
@ Simon:
Oh ja, nou zie ik het eindelijk ook… goed van jou zeg. Dank je wel hoor.
Geen dank
het is toch wel bizar te noemen dat de schrijvers niet ‘de moeite’ hebben genomen een hoofdstuk over zichzelf te schrijven. ‘de elite van de denktanks en andere adviesorganen’ zou toch prachtig zijn. Aan de lijst van schrijvers te zien hebben de meeste vast Bourdieu wel gelezen. ik vraag me af waarom ze, bewust(?), gekozen hebben om het niet over hen zelf te hebben, behalve dan dat ze er niet graag bij zouden willen horen.
Pieter Pekelharing: “Geheel conform de ideologie van de jaren zestig staat verticale macht in deze bundel voor alles wat slecht is. “
De bijdrage van Paul Cliteur (“Religieus terrorisme en de lankmoedige elite’ ) slaat een geheel andere toon aan.
Hier geen waardering van de jaren ’60, in tegendeel.
Cliteur:
“De Nederlandse elite heeft een verkeerd beeld van religieus terrorisme. Niet de scheldkanonnades zoals verondersteld, maar de inhoud van de kritiek op Allah en de Profeet is een steen des aanstoots voor geradicaliseerde jongeren. Het zou helpen als de elite haar cultuurrelativistisch geïnspireerde schroomvalligheid zou overwinnen. En geen begrip meer zou hebben voor het uitdelen van ‘optaters’ en voor het relativeren van grondrechten. “
“De theorieën van onze intellectuele, politieke en bestuurlijke elite maken ons betrekkelijk ‘weerloos’ tegenover het religieus terrorisme.”
“Het Nederlandse beleid en de schroomvalligheid waarmee het re¬ligieus terrorisme ter hand wordt genomen is ongetwijfeld ingegeven door de goede bedoeling om niet te ‘polariseren’ of niet te ‘discrimineren’ naar etnische en religieuze minderheden.”
“..de uitspraken van politici en bestuurders wekken bij terroristen en geweldplegers de hoop (en tot op zekere hoogte ook gerechtvaardigde verwachting) dat zij op de goede weg zijn bij het realiseren van hun doelstellingen.”
Paul Cliteur hort zelf bij de meningsvormende elite, als hoogleraar en als politiek geëngageerde publicist.
Cliteur is geen vijand van de elite, in tegendeel. Hij is zelfs een grote fan van de elitaire gedachten van Plato ( Cliteur is een bewonderaar van Platos ‘Staat’). Alleen moet de elite volgens Cliteur rechts en autoritair zijn.
De elite moet hard zijn tegen minderheden, economisch neoliberaal en qua waarden neoconservatief.
Marina, je hebt gelijk. Ik had Paul Cliteur niet in gedachten toen ik dat zinnetje schreef. Excuses daarvoor.
Maar er is wel iets eigenaardigs aan de hand met de erfenis van de jaren zestig. Er bestaan grofweg vier soorten kritiek op moderne, gecommercialiseerde samenlevingen:
1. Het kapitalisme heeft van ons gelukkige slaven gemaakt, die in hun vrije tijd niets anders doen dan uitgaan en consumeren.
2. Het burgermansleven is verstikkend, er is geen plaats voor creativiteit: bedrijf en bureaucratie fungeren als gevangenis
3. Het kapitalisme leidt tot steeds schrijnender inkomens- en vermogensongelijkheid, ook al neemt de welvaart in absolute zin toe
4. Kapitalisme leidt tot egoïsme en opportunisme, tot ‘well organised selfishness’
Die vier kritieken kan je uiteindelijk weer onderbrengen in twee soorten kritiek: (1) tot anti-burgerlijke kritiek die ooit vooral afkomstig was uit kunstenaarskringen, uit de bohème en (2) tot kritiek op sociale onrechtvaardigheid en immoraliteit, die vooral van sociale hervormers kwam. Deze twee takken van kritiek kunnen soms geheel verschillende kanten uitgaan. Het is moeilijk ze bij elkaar te houden.
Het bizarre is nu dat een deel van de erfenis van de jaren zestig - de kritiek op normalisering, bureacratisering en disciplinering - door rechts is overgenomen en opging in neoliberale vrijheidsideologieën. Moderne theorieën over economisch management staan bol van kritiek op beruacratisering en disciplinering. Topmanagers zullen de eersten zijn om te zeggen dat het middenmanagement moet worden afgeschaft en de organisatie platter moet. Dat heeft ze overigens geen windeieren gelegd. Economische creativieit en een wendbare platte organisatie levert in veel gevallen vette winst op. Maar het is niet zeker of dat tot grotere sociale rechtvaardigheid leidt.
Sterker nog, wie naar meer sociaal ecnomische gelijkheid streeft, legt volgens neoliberalen een verstikkende gelijkheidsdeken over de samenleving heen, die mensen van hun vrijheid en creativiteit beroofd. Je verstoort er het feest van de verschillen mee. Wie voor gelijkheid opkomt is een spelbreker van de vrijheid.
In veel opzicht is de ideologie van het neoliberalisme een gehalveerd soort jaren zestig ideologie -die daarom des te verleidelijker is. Want wie wil er nu niet creatief, authentiek en echt zichzelf zijn? En wil er nu niet geloven, dat als je maar met z’n allen creatief en flexibel bent, het vanzelf wel goed zal komen met de samenleving?
De andere helft van de jaren zestig kritiek, de kritiek op sociale onrechtvaardigheid, bleef niet alleen onderbelicht, het werd zelfs burgerlijk bevonden. Het stond de zelfontplooiing van mensen in de weg. Je getuigde van een verkeerd soort moralisme als je daarvoor opkwam.
Het kan best zijn dat Paul Cliteur een Platonist is, die niets tegen verticaal gezag heeft. Het is bovendien goed mogelijk dat hij dat gezag autoritair wil inzetten en hard tegen minderheden wil optreden. Maar hij is geen vriend van de verzorgingsstaat. Integendeel, mensen zijn mede vanwege de verzorgingsstaat, die ‘big mother’, in relativistische consumenten veranderd, die vinden dat alles moet kunnen. Alleen een minimale, autoritaire staat kan volgens Cliteur de vrijheid redden en voor veiligheid zorgen.
De staat staat bij neoliberalen in het verdomhoekje. Ze houden niet van verticaal gezag. Dat gezag willen ze minimaliseren en dat verlangen delen ze met de opstandelingen van de jaren zestig. Dat neemt niet weg dat je gelijk hebt. Misschien moet je het zo zeggen: de staat mag van neoconservatieven alleen als ze het instrument van neoconservative waarden is.
Maar niet alle anti-burgerlijke kritiek is geincorporeerd door de neoliberalen! De marketingsamenleving en het consumentisme zijn nog nooit zo erg geweest als onder het neoliberalisme (dat was je eerste punt: zie je bijvoorbeeld terug bij Benjamin Barber) en juist de moderne ‘flexibele’ organisatie wordt juist steeds centralistischer met behulp van informatietechnologie bestuurd (je tweede punt, Richard Sennett schrijft hierover, vergelijkt de flexibele organisatie bijvoorbeeld met een iPod. De dwang om te werken en de interne controle is verstikkender dan ooit). De neoliberalen hebben het antiburgerlijke discours uit de jaren ‘60 inderdaad gecorrumpeerd. Het is tijd dat links ook die taal opnieuw gaat uitvinden.
De staat staat bij neoliberalen in het verdomhoekje. Ze houden niet van verticaal gezag. Dat gezag willen ze minimaliseren en dat verlangen delen ze met de opstandelingen van de jaren zestig. Dat neemt niet weg dat je gelijk hebt. Misschien moet je het zo zeggen: de staat mag van neoconservatieven alleen als ze het instrument van neoconservative waarden is.
Het zijn toch liberalen. Me dunkt dat een kleine overheid daar toch wel een kernidee is. Dat is trouwens niet zozeer het gevolg van een probleem met verticaal gezag (is er nog een andere soort, trouwens?), maar meer een probleem met het soort gezag waar de burger zich niet of moeilijk aan kan onttrekken. Belastingen zijn niet vrijwillig, en emigreren is geen echte oplossing om aan de staat te ontsnappen. De conclusie is dan ook dat de overheid zichzelf niet puur instrumentalistisch moet beschouwen (maw, de overheid doet die dingen die ze beter kan dan de private sector), maar dat dat de overheid in alle gevallen een zo groot mogelijke becheidenheid moet betrachten. Altijd kritisch nadenken of ze zich, principieel gezien, wel met een bepaald probleem moet bemoeien.
Waar de overheid wel optreedt, is dat dus ook gebaseerd op de principiële overtuiging dat daar een legitieme taak voor de overheid ligt. Pseudo-socialistische jaren ‘60 schroom is danook niet gepast of gewenst, al is een overmaat aan ivoren toren mentaliteit natuurlijk ook niet bevorderlijk voor de kwaliteit van het overheidsoptreden.
Het probleem is, kort gezegd, dat in het verleden de elite vond dat het haar (christen)plicht was om haar egoïsme in toom te houden en het algemeen belang te bevorderen. Omdat tegenwoordig de elite zichzelf en de rest van de samenleving heeft wijsgemaakt dat ze niet bestaat, heeft men een vrijbrief om net zo egoïstisch te zijn als de rest van de samenleving.
Dylan, stel dat je gelijk hebt. Dan is er dus nog steeds antiburgerlijke kritiek op de neoliberalen mogelijk: burgers worden verteerd door consumptieve verlangens en gecontroleerd en gedisciplneerd door hun managers. Kan zijn, maar dekt die kritiek het hele palet? Stel dat mensen in de toekomst veel vrijer worden, leidt dat automatisch tot grotere sociale gelijkheid? Is de kritiek in naam van sociale rechtvaaridgheid moralistisch en overbodig? Ik denk het niet. De enorme aantrekkingskracht van het neoliberalisme is nu juist dat veel mensen van mening zijn dat vrijheid niet alleen de hoogste waarde is, maar dat meer vrijheid vanzelf tot meer sociale rechtvaardigheid leidt. Zoals Martinned echter zegt, het zou ook kunnen betekenen dat iedereen “een vrijbrief (krijgt) om net zo egoïstich te zijn als de rest van de samenleving”. Mijn punt is dat zelfs als je gelijk hebt met je kritiek, die kritek zelf van neoliberale snit is.
Het is natuurlijk een oud theretisch en practisch probleem: de verzoening van vrijheid en gelijkheid. Ik denk dat voor die verzoening op dit ogenblik een herbezinning op de betekenis van de staat nodig is -op het soort gezag dat die vertegenwoordigt en waarom het goed is dat dit gezag onpersoonlijk en bureacratisch is en van koude ipv warme, solidariteit getuigt: de solidariteit van respect voor rechten, ook als men het niet eens is met de manier waarom sommigen (binnen de grenzen van de wet) van die rechten gebruik maken. Natuurlijk, zonder charismatisch leiderschap kan het tegenwoordig niet, maar met aléén charismatisch leiderschap kom je er niet. Het zou mooi zijn als er iemand was die eens een lof op de bureacratie schreef.
We zitten, denk ik, in een trilemma: hoe groter de markt (ofwel hoe meer globalisering), hoe beter dat is voor de economie. Maar de prijs die je daarvoor betaalt is minder nationale staatsmacht en verhuizing van het gezag naar hogere niveaus (Europa). Voor de bevolking wordt het dan min of meer slikken of stikken: iedereen dezelfde munt, overal hetzelfde belastingsysteem, nergens nationale hindernissen, overal dezelfde standaards, voor iedereen dezelfde werkomstandigheden -kortom, allemaal onder het gouden juk van economische groei. Het lijkt me niet mogelijk dat markten steeds internationaler worden terwij de politiek blijft afgestemd op lokale wensen en behoeften. Om de econoom Friedman te citeren:
“your ecnonomy grows and politics shrinks … Once your country puts on the Golden Staitjacket, its political choices get reduced to Pepsi or Coke -to slight nuances of tastes, slight nuances of policy, slight alteration in design to account for local traditons, some loosening here or there, but never any major devïation from the core golden rules.”
Minder (wereld)markt en meer lokale politiek kan ook, maar dan blijft de keus over tussen twee soorten politiek’: autoritaire staten met Platoonse elites, die het op een akkoorje gooien met de markt, verder hun eigen wensen doordrukken en onder democratie eens in de vier jaar verkiezingen (en voor de rest je mond houden) verstaan. Of staten waarin de instituties actieve participatie van burgers op verschillende niveaus bevorderen. Het grappige is dat we nu al zien wat dat laatste betekent: veel sociale bewegingen gaan tegen hun eigen staat in naar het Europse hof om hun gelijk te halen. Aktieve lokale politiek is vaak nu al van transnationale snit. Het zou best kunnen zijn dat links meer baat heeft van een verder gedemocratiseerd Europa dan bij het versterken van de instituties van de nationale staat. Waarmee ik m’n hele verhaal over de noodzaak van herbezinning op de nationale staat wellicht onderuit haal. Of liever: in een Europese context plaats.
Waar je ook voor kiest, alles heeft een prijs. Het is een dooddoener, maar de kunst is een goede mix te vinden, die van een goede balans tussen vrijheid, gelijkheid en (ook nog eens duurzame) groei getuigt, maar dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan.
L.S.,
@Pieter Pekelharing: Hebben we het dan over gelijkheid van kansen of over gelijkheid van uitkomsten? Want gelijkheid van kansen is in zekere zin bijna de definitie van vrijheid, terwijl gelijkheid van uitkomsten zowel moreel als praktisch hoogst onwenselijk is.
Martinned, het hangt er van af hoe je kansengelijkheid definieert. Gelijkheid van utkomsten lijkt me inderdaad praktisch en moreel hoogst onwenselijk. Wat die gelijkheid van kansen betreft, -als je daar het onlangs door de WRR benoemde takencomplex van verzorgen, verzekeren, verbinden en verheffen mee bedoelt, dan heb ik er geen problemen mee. Hoe je die functies organiseert en welke mix van ‘markt’ en staat’ je daarvoor kiest, is een kwestie van praktische uitwerking. Maar dat je die functies vervullen moet wil je iedereen reeële kansengelijkheid geven en er voor zorgen dat niemand soicaal benadeeld wordt, staat voor mij vast. Als dat je definitie van vrijheid is, dan is er inderdad geen conflict tussen vrijheid en gelijkheid, maar dan hanteer je wel een definitie van vrijheid, die lang niet iedereen zal onderschrijven.
L.S.,
Ik heb dat WRR rapport er even bijgepakt, en me dunkt dat deze elementen op zich algemeen gedeeld worden, maar dat er verschil van mening bestaat over de mate waarin in elk van de elementen door de staat zou moeten worden voorzien, en hoe. In verband met mijn “one-liner” over vrijheid is dan het idee dat verschillende mensen een verschillende definitie hebben van vrijheid, en dat die definitie verband houdt met hun ideeën over “verzorgen, verzekeren, verbinden en verheffen”, zodat de stelling klopt, maar minder heugelijk nieuws brengt dan op het eerste gezicht lijkt.
Youp van ‘t Hek vandaag in het NRC:
“Ik moest vooral lachen om Wouter Bos die op televisie geïnterviewd werd naast een blad vol glazen met feestelijke bubbels. Hij haastte zich om te zeggen dat het geen champagne was, maar hele goedkope shit van de Lidl of de Aldi. Waarom Wouter? Waarom zo Hollands? Waarom zo kneuterig? Waarom niet gewoon zeggen dat het een welverdiende Moët & Chandon is? Of een heerlijke Bollinger Grande Année 1999! Waarom drink je rommel? Om aan te tonen dat je gewoon gebleven bent? Dat socialisten niet mogen genieten? Die humorloze kneuterigheid maakt de Nederlandse politiek zo aandoenlijk. Zo intens burgerlijk. Bang dat de mensen denken dat je echte champagne drinkt? Een ouderwetse spruitjesgeur kwam uit mijn televisie.”
Hear, hear.
@Pieter: de morele kritiek op het kapitalisme die jij noemt in je bericht #10 (punt 3 en 4) wortelt meer in de Verlichting en de eerste twee punten in de Romantiek. Ik heb een stevig probleem met dat Verlichte moralisme omdat het in veel gevallen tot samenlevingen heeft geleid die nog fantasielozer en geestdodender waren dan die onder heet kapitalisme. Ik zal niet zeggen dat moralisme overbodig is maar ik associeer het toch sterk met het opgeheven vingertje van oud-links. Volgens mij is de meer romantische kritiek op burgerlijkheid en de consumptiecultuur iets dat bijvoorbeeld veel dichter bij het gevoelsleven van mijn generatie ligt dan grote begrippen als Gelijkheid en Rechtvaardigheid. Natuurlijk hebben we een rechtvaardigheidsgevoel en empathie met de zwakkere groepen in de samenleving. Maar zonder een individuele aspect van bevrijding zijn die idealen volgens mij te kaal, te braaf, te calvinistisch en te altruistisch.
Het romantisch discours is inderdaad gedeeltelijk geincorporeerd door het neoliberalisme. Er wordt een vorm van zelfontplooiing beloofd door een flexibele werknemer te zijn die van baan naar baan zwerft. Een ‘versoepeld’ ontslagrecht wordt ons verkocht alsof het bevrijdend is en ‘progressief’. In je vrije tijd kan je je verder ontplooiien met allerlei reizen naar verre bestemmingen of door de eerste de beste New Age workshop. Maar het gaat dan om een leugenachtige verdraaiing van de feiten: dat een flexibele werknemer een hoer is met maar weinig rechten die zich als een kameleon moet aanpassen aan elke nieuwe organisatie waar hij voor werkt. Dat ‘zelfontplooiing’ in je werk in veel gevallen toch een knieval is voor de commercie, aangezien veel dingen die mensen graag doen (kunst, expressie, sportieve activiteiten) domweg niet te verkopen vallen. Dat een groot deel van onze vrije tijd gekoloniseerd is door de commercie en ons van alle individualiteit berooft. Kijk maar eens om je heen ’s morgens in de spits, in auto of openbaar vervoer, wat voor een zombies er mechanisch elke dag maar weer naar hun werk gaan. Daar heeft het neoliberalisme helemaal niets aan veranderd, het heeft er alleen met behulp van goede marketing en de cultuuurindustrie een spannend sausje overheen gegoten.