Herinneringen naar aanleiding van het stuk van A.H.G. Rinnooy-Kan in NRC-Handelsblad van donderdag 7 oktober over de versterking van ongelijkheid in ons onderwijssysteem:
Tien jaar geleden op het ministerie van onderwijs in Zoetermeer. In een grote vergaderzaal vol met grijze mannen die lange formele reacties oplazen van blad, zei Staatssecretaris Tineke Netelenbos tegen twee schijnbaar verdwaalde pubers en een bezorgde man van een ouderbond:
“We nemen het mee, maar u moet zich wel realiseren dat het slechts om 10% gaat dat nu doorstroomt van Mavo naar Havo. We kunnen niet voor elke uitzondering een systeem bouwen…”
@#%$!
10% is natuurlijk hartstikke veel! En het was wel de 10% waar onze gelijke kansenmaatschappij van af hangt.
Ik weet niet waar Rinnooy-Kan toen was, maar er waren wel meer mensen die zich zorgen maakten net als ik. Bij de scholierenbond, het LAKS, kwamen allerlei pedagogen en dat soort mensen langs om de ongenoegens te delen… Maar een grote tegenbeweging op dit punt kwam er niet. Leraren zeikten doorgaans alleen maar over ‘alle nieuwerwetse vernieuwingen’, en de vakbond zelfs alleen over de salarissen. De tweede fase studenten twee jaar later, slechts over teveel huiswerk en de kinderziektes van het nieuwe systeem.
Hare excellentie Netelenbos nam nooit werkelijk ‘iets mee’. In iedere volgende versie van het ‘concept plan’ van de VMBO/Tweede Fase dat de staatssecretaris voorlegde aan dat stijve overlegorgaan waren er minder doorstroommogelijkheden. En elke keer wezen wij en sommige anderen in de vergadering er met klem op. ‘We nemen het mee’ zei Netelenbos dan met een valse glimlach.
Uiteindelijk ging ook de financiering voor mbo-hbo doorstroom eraan. De studiefinanciering voor doorstromers werd verkort tot 3 jaar, waar de opleiding gewoon 4 jaar kost… Vanaf toen geloofde ik in opzet.
Laten we voor nu hopen dat Rinnooy-Kan geen ‘we nemen het mee’ op het rekest krijgt…
De ongelijkheid wordt terecht aangekaart als probleem in het onderwijs. Ik betwijfel echter of alle partijen die hieraan bijdragen zullen worden gewezen op hun fouten. Een groep die bijdraagt aan de ongelijkheid zijn ook docenten zelf aangezien zij al sinds de invoering van de wet gelijke behandeling chrnisch zieken (WGBH/CZ) weinig tot niets doen om de studiemogelijkheden van studenten met een functiebeperking te faciliteren ondanks dat het conform de WGBH/CZ wel een verplichting is. Deze groep studenten kan sinds de invoering van de wet nog steeds niet rekenen op begeleiding en ondersteuning terwijl de wet onderwijsinstituten hiertoe verplicht. De achterstelling en ongelijkheid is vormgegeven op operationeel niveau door het ontbreken van beleid bij onderwijsinstellingen en op het niveau van het klachtenrecht doordat de Commissie Gelijke Behandeling geen bindende uitspraken kan doen in gevallen van het niet naleven van de voornoemde wet. De consequentie hiervan is dat de wet door onderwijsinstellingen niet serieus wordt genomen. De meest gehoorde klacht van de groep studenten is dat docenten en studieadviseurs weinig tot geen begrip hebben c.q. tonen. Enkele universiteiten en hogescholen steken hier positief bovenuit desalniettemin is het overwegend slecht geregeld met het naleven van de WGBH/CZ. Instellingen zoals de UvA, de HvA besteden vrijwel geen enkele aandacht aan deze problematiek. Het feit dat het geen aandacht krijgt is des te schrijnender omdat de overheid de duidelijke wens heeft uitgesproken om meer arbeidsgehandicapten aan het werk te krijgen en meer ruimte te scheppen voor de (re)integratie van deze groep. Helaas wordt tot op heden de noodzaak tot (re)integratie niet gedeeld door onderwijsinstellingen waardoor de ongelijkheid in het onderwijs zal blijven voortbestaan totdat onderwijsinstellingen middels het opnemen van de in de WGBH gesteld eisen in de accreditatie waardoor het onderwijsinstellingen langs juridische weg gedwongen worden om invulling te geven aan de gestelde wettelijke eisen. Zonder een dergelijke maatregel zal de ongelijkheid tot in lengte van jaren gehandhaafd blijven aangezien de samenleving steeds meer lijn trekt tussen de personen die voldoen aan de eisen van de samenleving en hen die niet voldoen. Deze tweedeling neemt steeds sterkere vormen aan in de samenleving. Het zou mijns inziens goed zijn als onderwijsinstellingen meer gewezen zouden worden op wat de wet stelt dat zij moeten doen in plaats van de verregaande decentralisatie en vrijheid van het onderwijs die ertoe heeft geleid dat teveel macht en teveel vrijheid bij universiteiten , hogescholen en onderwijskoepels is gekomen. De afgelopen jaren hebben uitgewezen dat zij niet weten hoe met deze macht moet worden omgegaan. De gevolgen hiervan zijn zichtbaar in het feit dat elke vorm van kritiek door het universiteiten en hogescholen wordt genegeerd hetgeen zijn culminatie heeft gevonden in de structurele achteruitgang van de kwaliteit van het onderwijs. De PABO´s en de lerarenopleidingen getuigen hiervan. Tevens blijkt dit uit het feit dat het feit dat het overgrote deel van het onderwijzend personeel van hogescholen geen kennis van toetsen, beoordelen en didactiek heeft. Hoe kan een docent in opleiding het vak leren als de docenten op de hogeschool zelf het vak niet beheersen.
Ik vrees dat de machtsstrijd tussen de overheid, het onderwijs en studenten nog maar net begonnen is en de malaise nog danig moet verslechteren alvorens de kwaliteit van het onderwijs weer op orde kan worden gebracht.
Het trieste is echter dat de studenten de dupe worden van de lopende machtsstrijd.